Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
40 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
politieke socialisatie
Hoe je je politieke opvattingen opdoet: thuis, op school, via media en in je vriendenkring. Daarom lijken de opvattingen binnen een gezin vaak op elkaar.
-
sociale ongelijkheid
Een ongelijke verdeling van schaarse zaken, waarbij die verdeling van generatie op generatie doorwerkt. Niet elk verschil is ongelijkheid; het gaat om structurele verschillen in kansen.
-
feit, norm en mening
Een feit is te controleren, een norm zegt wat hoort, een mening zegt wat iemand vindt. Haal ze uit elkaar voordat je een bron gebruikt.
-
institutionalisering
Het proces waarin gedrag vastgelegd wordt in organisaties en regels, zoals een onderwijsinspectie of een cao. Het maakt de samenleving voorspelbaarder en stroever.
-
politieke participatie
Meedoen aan de politiek, van stemmen en lid worden tot demonstreren en een petitie tekenen. Je onderscheidt conventionele en niet-conventionele vormen.
-
socialisme
De stroming die gelijkheid vooropstelt: de overheid herverdeelt en beschermt wie in een zwakke positie zit.
-
cognitieve binding
Verbondenheid via taal, kennis en gedeelde informatie. Zonder gedeelde taal valt meedoen zwaar.
-
representativiteit
De vraag of de vertegenwoordigers een goede afspiegeling zijn van de bevolking. Een parlement kan representatief zijn in standpunten en toch niet in samenstelling.
-
betrouwbaarheid
Of een onderzoek bij herhaling hetzelfde oplevert. Je verhoogt het met een grotere en zorgvuldiger getrokken steekproef.
-
politieke binding
Verbondenheid via meedoen aan het bestuur: stemmen, lid zijn, meepraten. Lage opkomst is een teken dat deze binding verzwakt.
-
kiesdrempel
De minimale steun die een partij nodig heeft voor een zetel. Nederland heeft die feitelijk alleen in de vorm van de kiesdeler.
-
gezag
Macht die door de ander als terecht wordt gezien. Dezelfde handeling kan macht of gezag zijn; het verschil zit in de aanvaarding.
-
modernisering
De verzamelnaam voor de veranderingen die een samenleving moderner maken: rationeler, individueler en meer georganiseerd. Politieke stromingen verschillen juist in hun oordeel hierover.
-
levenskansen
De kansen die iemand heeft op goede scholing, gezondheid, werk en wonen. Ongelijkheid zie je het duidelijkst als je die kansen vergelijkt, niet de uitkomsten.
-
democratisering
Het proces waarin steeds meer mensen mogen meebeslissen over het bestuur, en het bestuur verantwoording moet afleggen.
Naar de les over Staatsvorming, democratisering en globalisering
-
effect van beleid
Wat beleid in de praktijk teweegbrengt, bedoeld en onbedoeld. Een maatregel kan zijn doel halen en tegelijk iets anders verergeren.
-
belangengroep
Een groep die de belangen van haar leden wil behartigen, zoals een vakbond of een werkgeversorganisatie. Zij hebben vaak macht uit aantal of uit geld.
-
sociale mobiliteit
Het veranderen van positie op de sociale ladder, omhoog of omlaag. Weinig mobiliteit betekent dat je afkomst je toekomst sterk bepaalt.
-
validiteit
Of een onderzoek meet wat het wil meten. Een vraag die stuurt naar een bepaald antwoord levert geen valide uitkomst op.
-
norm
Een concrete regel over hoe je je hoort te gedragen, die voortkomt uit een waarde. Uit de waarde respect volgt de norm dat je iemand laat uitpraten.
-
representatief onderzoek
Onderzoek waarvan de deelnemers een goede afspiegeling zijn van de groep waar de conclusie over gaat.
-
actualiteit analyseren
Een gebeurtenis uit het nieuws uit elkaar halen met hoofd- en kernconcepten: welk concept speelt hier, op welk niveau, en welke actoren hebben welk belang.
-
maatschappelijk conflict
Een botsing van belangen tussen groepen. Je beschrijft oorzaak, partijen, machtsmiddelen en de manier waarop het wordt beslecht.
-
globalisering
Het proces waarin landen economisch, politiek, cultureel en technisch steeds meer van elkaar afhankelijk worden. Benoem bij een vraag welke van de vier lagen het is.
-
sociale ladder
De rangorde van posities in de samenleving, meestal gemeten naar opleiding, beroep en inkomen. Wie van positie wisselt, maakt sociale mobiliteit door.
-
districtenstelsel
Een kiesstelsel waarin per district de winnaar alle zetels pakt. Dat levert duidelijke meerderheden op, maar laat kleine partijen buiten de deur.
-
identiteit
Het beeld dat iemand van zichzelf heeft, opgebouwd uit de groepen waar hij bij hoort. Identiteit ligt niet vast en verschuift met je omgeving.
-
kernconcept
Een begrip dat onder een hoofdconcept valt, zoals socialisatie onder vorming. In een antwoord noem je het kernconcept en past het daarna toe op de bron.
-
politieke stroming
Een samenhangende manier van kijken naar de samenleving, zoals liberalisme, socialisme en confessionalisme. Elke stroming legt een eigen verhouding tussen vrijheid en gelijkheid.
-
machtsbron
Waar iemands macht vandaan komt: geweld, geld, kennis, aantal of positie. Benoem bij een vraag altijd de bron en de afhankelijkheid die eruit volgt.
-
machtenscheiding
Het verdelen van wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht over verschillende organen, zodat ze elkaar in toom houden.
-
coalitie
Een samenwerking van partijen die samen een meerderheid vormen en samen regeren. In een stelsel met evenredige vertegenwoordiging is dat bijna altijd nodig.
-
maatschappelijk vraagstuk
Een probleem dat veel mensen raakt, waarover verschillend gedacht wordt en waarvoor de overheid een rol krijgt toebedeeld. Dat onderscheidt het van een persoonlijk probleem.
-
beleidsinstrument
Het middel waarmee de overheid invloed uitoefent: wetgeving, geld, voorlichting of voorzieningen. Bij een beleidsvraag noem je het instrument, niet alleen het doel.
-
cultuuroverdracht
Het doorgeven van waarden, normen en gewoonten aan een volgende generatie. Dat gaat deels bewust, bijvoorbeeld op school, en deels ongemerkt.
-
ongewenst neveneffect
Een gevolg van beleid dat niemand beoogde, zoals een regeling die juist de groep mist die hem het hardst nodig heeft.
-
individualisering
Het proces waarin mensen minder vastzitten aan vaste groepen en meer zelf kiezen. Dat geeft vrijheid en maakt binding tegelijk losser.
-
micro-, meso- en macroniveau
De drie schaalniveaus: tussen mensen, tussen organisaties, en in de samenleving als geheel. Een goed antwoord blijft niet op één niveau hangen.
-
confessionalisme
De stroming die uitgaat van een geloofsovertuiging en van samenwerking tussen groepen, met de nadruk op verantwoordelijkheid voor elkaar.
-
rol
Het patroon van verwachtingen dat bij een positie hoort, zoals leerling, ouder of agent. Botsen twee rollen, dan spreek je van een rolconflict.