Naar de inhoud
Inloggen

Maatschappijwetenschappen havo

Begrippenlijst

havo

65 begrippen die je bij Maatschappijwetenschappen op havo moet kennen, elk met een paar zinnen uitleg. Staat er een les bij, dan wordt het begrip daar gebruikt en geoefend.

Overhoor jezelf op deze begrippen

A 2

actualiteit analyseren F1
Een gebeurtenis uit het nieuws uit elkaar halen met hoofd- en kernconcepten: welk concept speelt hier, op welk niveau, en welke actoren hebben welk belang. Naar de les
affectieve binding D1
Verbondenheid uit gevoel: familie, vrienden, een club waar je je thuis voelt. Naar de les

B 5

belangengroep C3
Een groep die de belangen van haar leden wil behartigen, zoals een vakbond of een werkgeversorganisatie. Zij hebben vaak macht uit aantal of uit geld. Naar de les
beleidsinstrument B4
Het middel waarmee de overheid invloed uitoefent: wetgeving, geld, voorlichting of voorzieningen. Bij een beleidsvraag noem je het instrument, niet alleen het doel. Naar de les
beschrijven, verklaren, beoordelen A2
Drie dingen die een vraag van je kan vragen. Beschrijven is wat er is, verklaren is waardoor het komt, beoordelen is wat je ervan vindt met argumenten erbij. Naar de les
betrouwbaarheid A3
Of een onderzoek bij herhaling hetzelfde oplevert. Je verhoogt het met een grotere en zorgvuldiger getrokken steekproef. Naar de les
binding D1
De manier waarop iemand met de samenleving verbonden is. Je onderscheidt affectieve, economische, cognitieve en politieke bindingen. Naar de les

C 4

coalitie G2
Een samenwerking van partijen die samen een meerderheid vormen en samen regeren. In een stelsel met evenredige vertegenwoordiging is dat bijna altijd nodig. Naar de les
cognitieve binding D1
Verbondenheid via taal, kennis en gedeelde informatie. Zonder gedeelde taal valt meedoen zwaar. Naar de les
confessionalisme E4
De stroming die uitgaat van een geloofsovertuiging en van samenwerking tussen groepen, met de nadruk op verantwoordelijkheid voor elkaar. Naar de les
cultuuroverdracht B1
Het doorgeven van waarden, normen en gewoonten aan een volgende generatie. Dat gaat deels bewust, bijvoorbeeld op school, en deels ongemerkt. Naar de les

D 2

democratisering E2
Het proces waarin steeds meer mensen mogen meebeslissen over het bestuur, en het bestuur verantwoording moet afleggen. Naar de les
districtenstelsel G3
Een kiesstelsel waarin per district de winnaar alle zetels pakt. Dat levert duidelijke meerderheden op, maar laat kleine partijen buiten de deur. Naar de les

E 3

economische binding D1
Verbondenheid via werk, inkomen en bestedingen. Wie buiten de arbeidsmarkt valt, verliest ook een stuk binding. Naar de les
effect van beleid D4
Wat beleid in de praktijk teweegbrengt, bedoeld en onbedoeld. Een maatregel kan zijn doel halen en tegelijk iets anders verergeren. Naar de les
evenredige vertegenwoordiging G3
Een kiesstelsel waarin het aantal zetels overeenkomt met het aantal stemmen. Nederland werkt zo, en daarom zijn er veel partijen en coalities nodig. Naar de les

F 1

feit, norm en mening A1
Een feit is te controleren, een norm zegt wat hoort, een mening zegt wat iemand vindt. Haal ze uit elkaar voordat je een bron gebruikt. Naar de les

G 2

gezag C2
Macht die door de ander als terecht wordt gezien. Dezelfde handeling kan macht of gezag zijn; het verschil zit in de aanvaarding. Naar de les
globalisering E2
Het proces waarin landen economisch, politiek, cultureel en technisch steeds meer van elkaar afhankelijk worden. Benoem bij een vraag welke van de vier lagen het is. Naar de les

H 1

hoofdconcept F2
Een van de vier grote begrippen van dit vak: vorming, verhouding, binding en verandering. Elke examenvraag is terug te brengen tot een ervan. Naar de les

I 4

identiteit B3
Het beeld dat iemand van zichzelf heeft, opgebouwd uit de groepen waar hij bij hoort. Identiteit ligt niet vast en verschuift met je omgeving. Naar de les
individualisering E1
Het proces waarin mensen minder vastzitten aan vaste groepen en meer zelf kiezen. Dat geeft vrijheid en maakt binding tegelijk losser. Naar de les
institutionalisering E1
Het proces waarin gedrag vastgelegd wordt in organisaties en regels, zoals een onderwijsinspectie of een cao. Het maakt de samenleving voorspelbaarder en stroever. Naar de les
integratie D3
Het proces waarin groepen gaan meedoen in de samenleving terwijl zij hun eigen kenmerken deels houden. Het is iets anders dan assimilatie, waarbij die kenmerken verdwijnen. Naar de les

K 2

kernconcept F2
Een begrip dat onder een hoofdconcept valt, zoals socialisatie onder vorming. In een antwoord noem je het kernconcept en past het daarna toe op de bron. Naar de les
kiesdrempel G3
De minimale steun die een partij nodig heeft voor een zetel. Nederland heeft die feitelijk alleen in de vorm van de kiesdeler. Naar de les

L 2

levenskansen C1
De kansen die iemand heeft op goede scholing, gezondheid, werk en wonen. Ongelijkheid zie je het duidelijkst als je die kansen vergelijkt, niet de uitkomsten. Naar de les
liberalisme E4
De stroming die vrijheid vooropstelt: een kleine overheid, ruimte voor de markt en nadruk op eigen verantwoordelijkheid. Naar de les

M 7

maatschappelijk conflict C3
Een botsing van belangen tussen groepen. Je beschrijft oorzaak, partijen, machtsmiddelen en de manier waarop het wordt beslecht. Naar de les
maatschappelijk vraagstuk F1
Een probleem dat veel mensen raakt, waarover verschillend gedacht wordt en waarvoor de overheid een rol krijgt toebedeeld. Dat onderscheidt het van een persoonlijk probleem. Naar de les
macht C2
Je wil kunnen doorzetten, ook als anderen dat niet willen. Macht zit niet in een persoon maar in een verhouding: hoe afhankelijk is de ander van jou? Naar de les
machtenscheiding G2
Het verdelen van wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht over verschillende organen, zodat ze elkaar in toom houden. Naar de les
machtsbron C2
Waar iemands macht vandaan komt: geweld, geld, kennis, aantal of positie. Benoem bij een vraag altijd de bron en de afhankelijkheid die eruit volgt. Naar de les
micro-, meso- en macroniveau C2
De drie schaalniveaus: tussen mensen, tussen organisaties, en in de samenleving als geheel. Een goed antwoord blijft niet op één niveau hangen. Naar de les
modernisering E4
De verzamelnaam voor de veranderingen die een samenleving moderner maken: rationeler, individueler en meer georganiseerd. Politieke stromingen verschillen juist in hun oordeel hierover. Naar de les

N 1

norm B1
Een concrete regel over hoe je je hoort te gedragen, die voortkomt uit een waarde. Uit de waarde respect volgt de norm dat je iemand laat uitpraten. Naar de les

O 3

ongewenst neveneffect E3
Een gevolg van beleid dat niemand beoogde, zoals een regeling die juist de groep mist die hem het hardst nodig heeft. Naar de les
opkomst G4
Het deel van de kiesgerechtigden dat gaat stemmen. Een lage opkomst in bepaalde groepen maakt de uitslag minder representatief. Naar de les
overheidsbeleid C6
Wat de overheid doet om een maatschappelijk probleem aan te pakken. Bij een vraag benoem je het instrument: wetgeving, geld, voorlichting of voorzieningen. Naar de les

P 5

polarisatie D3
Het uit elkaar groeien van groepen, waarbij de tegenstelling scherper wordt en de ruimte in het midden kleiner. Naar de les
politieke binding G1
Verbondenheid via meedoen aan het bestuur: stemmen, lid zijn, meepraten. Lage opkomst is een teken dat deze binding verzwakt. Naar de les
politieke participatie G1
Meedoen aan de politiek, van stemmen en lid worden tot demonstreren en een petitie tekenen. Je onderscheidt conventionele en niet-conventionele vormen. Naar de les
politieke socialisatie B2
Hoe je je politieke opvattingen opdoet: thuis, op school, via media en in je vriendenkring. Daarom lijken de opvattingen binnen een gezin vaak op elkaar. Naar de les
politieke stroming E4
Een samenhangende manier van kijken naar de samenleving, zoals liberalisme, socialisme en confessionalisme. Elke stroming legt een eigen verhouding tussen vrijheid en gelijkheid. Naar de les

R 6

rationalisering E1
Het proces waarin beslissingen steeds vaker op berekening en regels berusten in plaats van op gewoonte of geloof. Denk aan protocollen en meetbare doelen. Naar de les
rechtsstaat G2
Een staat waarin ook de overheid zich aan de wet moet houden en burgers rechten hebben die zij voor de rechter kunnen halen. Naar de les
representatie D2
Het vertegenwoordigd worden: anderen beslissen namens jou. In een democratie gebeurt dat via gekozen volksvertegenwoordigers. Naar de les
representatief onderzoek A3
Onderzoek waarvan de deelnemers een goede afspiegeling zijn van de groep waar de conclusie over gaat. Naar de les
representativiteit D2
De vraag of de vertegenwoordigers een goede afspiegeling zijn van de bevolking. Een parlement kan representatief zijn in standpunten en toch niet in samenstelling. Naar de les
rol B1
Het patroon van verwachtingen dat bij een positie hoort, zoals leerling, ouder of agent. Botsen twee rollen, dan spreek je van een rolconflict. Naar de les

S 12

sanctie B1
Een reactie op gedrag die een norm bekrachtigt. Dat kan een straf zijn, maar een compliment is net zo goed een sanctie. Naar de les
segregatie D3
Het gescheiden leven van groepen in wijken, scholen of verenigingen. Het hoeft niet bedoeld te zijn om toch te ontstaan. Naar de les
sociale cohesie D1
De mate waarin mensen zich met elkaar verbonden voelen en meedoen. Veel cohesie binnen een groep kan de afstand tot andere groepen juist vergroten. Naar de les
sociale institutie C4
Een vast patroon van regels en gewoonten rond een maatschappelijke taak, zoals het onderwijs, het gezin of de rechtspraak. Instituties geven de samenleving haar vorm en veranderen langzaam. Naar de les
sociale ladder C1
De rangorde van posities in de samenleving, meestal gemeten naar opleiding, beroep en inkomen. Wie van positie wisselt, maakt sociale mobiliteit door. Naar de les
sociale mobiliteit C5
Het veranderen van positie op de sociale ladder, omhoog of omlaag. Weinig mobiliteit betekent dat je afkomst je toekomst sterk bepaalt. Naar de les
sociale ongelijkheid C1
Een ongelijke verdeling van schaarse zaken, waarbij die verdeling van generatie op generatie doorwerkt. Niet elk verschil is ongelijkheid; het gaat om structurele verschillen in kansen. Naar de les
socialisatie B1
Het proces waarin je de regels, waarden en gewoonten van je omgeving leert, zodat je mee kunt doen. Het gaat je hele leven door, niet alleen in je jeugd. Naar de les
socialiserende instituties B1
De plekken waar socialisatie gebeurt: gezin, school, vriendengroep, werk, media, overheid. Bij een vraag benoem je welke institutie en wat die precies overdraagt. Naar de les
socialisme E4
De stroming die gelijkheid vooropstelt: de overheid herverdeelt en beschermt wie in een zwakke positie zit. Naar de les
staatsvorming E2
Het proces waarin een staat steeds meer taken en het geweldsmonopolie naar zich toe trekt binnen een vast grondgebied. Naar de les
subcultuur B3
Een groep binnen de samenleving met eigen waarden en gewoonten, die de hoofdlijnen van de cultuur verder deelt. Keert die groep zich er juist tegen, dan heet het een tegencultuur. Naar de les

V 1

validiteit A3
Of een onderzoek meet wat het wil meten. Een vraag die stuurt naar een bepaald antwoord levert geen valide uitkomst op. Naar de les

W 1

waarde B1
Een opvatting over wat belangrijk of nastrevenswaardig is, zoals vrijheid of gelijkheid. Waarden zijn abstract; normen maken ze concreet. Naar de les

Z 1

zwevende kiezer G4
Iemand die per verkiezing opnieuw kiest en niet vastzit aan een partij. Het aantal zwevende kiezers is gegroeid door individualisering. Naar de les

Alle onderwerpen