Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

20 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. politieke stroming

    Een samenhangende manier van kijken naar de samenleving, zoals liberalisme, socialisme en confessionalisme. Elke stroming legt een eigen verhouding tussen vrijheid en gelijkheid.

    Naar de les over De politieke stromingen

  2. sociale ongelijkheid

    Een ongelijke verdeling van schaarse zaken, waarbij die verdeling van generatie op generatie doorwerkt. Niet elk verschil is ongelijkheid; het gaat om structurele verschillen in kansen.

    Naar de les over Sociale ongelijkheid herkennen

  3. confessionalisme

    De stroming die uitgaat van een geloofsovertuiging en van samenwerking tussen groepen, met de nadruk op verantwoordelijkheid voor elkaar.

    Naar de les over De politieke stromingen

  4. kiesdrempel

    De minimale steun die een partij nodig heeft voor een zetel. Nederland heeft die feitelijk alleen in de vorm van de kiesdeler.

    Naar de les over Kiesstelsels vergelijken

  5. feit, norm en mening

    Een feit is te controleren, een norm zegt wat hoort, een mening zegt wat iemand vindt. Haal ze uit elkaar voordat je een bron gebruikt.

    Naar de les over Van bron naar conclusie

  6. rechtsstaat

    Een staat waarin ook de overheid zich aan de wet moet houden en burgers rechten hebben die zij voor de rechter kunnen halen.

    Naar de les over Waarom verkiezingen ertoe doen

  7. beschrijven, verklaren, beoordelen

    Drie dingen die een vraag van je kan vragen. Beschrijven is wat er is, verklaren is waardoor het komt, beoordelen is wat je ervan vindt met argumenten erbij.

    Naar de les over Wat vraagt het werkwoord?

  8. machtenscheiding

    Het verdelen van wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht over verschillende organen, zodat ze elkaar in toom houden.

    Naar de les over Waarom verkiezingen ertoe doen

  9. sociale mobiliteit

    Het veranderen van positie op de sociale ladder, omhoog of omlaag. Weinig mobiliteit betekent dat je afkomst je toekomst sterk bepaalt.

    Naar de les over Wat ongelijkheid vergroot of verkleint

  10. micro-, meso- en macroniveau

    De drie schaalniveaus: tussen mensen, tussen organisaties, en in de samenleving als geheel. Een goed antwoord blijft niet op één niveau hangen.

    Naar de les over Waar macht vandaan komt

  11. districtenstelsel

    Een kiesstelsel waarin per district de winnaar alle zetels pakt. Dat levert duidelijke meerderheden op, maar laat kleine partijen buiten de deur.

    Naar de les over Kiesstelsels vergelijken

  12. individualisering

    Het proces waarin mensen minder vastzitten aan vaste groepen en meer zelf kiezen. Dat geeft vrijheid en maakt binding tegelijk losser.

    Naar de les over Drie veranderingsprocessen

  13. opkomst

    Het deel van de kiesgerechtigden dat gaat stemmen. Een lage opkomst in bepaalde groepen maakt de uitslag minder representatief.

    Naar de les over Wie gaat er stemmen?

  14. belangengroep

    Een groep die de belangen van haar leden wil behartigen, zoals een vakbond of een werkgeversorganisatie. Zij hebben vaak macht uit aantal of uit geld.

    Naar de les over Conflict en samenwerking

  15. rol

    Het patroon van verwachtingen dat bij een positie hoort, zoals leerling, ouder of agent. Botsen twee rollen, dan spreek je van een rolconflict.

    Naar de les over Socialisatie en cultuuroverdracht

  16. binding

    De manier waarop iemand met de samenleving verbonden is. Je onderscheidt affectieve, economische, cognitieve en politieke bindingen.

    Naar de les over Sociale cohesie

  17. subcultuur

    Een groep binnen de samenleving met eigen waarden en gewoonten, die de hoofdlijnen van de cultuur verder deelt. Keert die groep zich er juist tegen, dan heet het een tegencultuur.

    Naar de les over Socialisatie die verandert

  18. identiteit

    Het beeld dat iemand van zichzelf heeft, opgebouwd uit de groepen waar hij bij hoort. Identiteit ligt niet vast en verschuift met je omgeving.

    Naar de les over Socialisatie die verandert

  19. sanctie

    Een reactie op gedrag die een norm bekrachtigt. Dat kan een straf zijn, maar een compliment is net zo goed een sanctie.

    Naar de les over Socialisatie en cultuuroverdracht

  20. hoofdconcept

    Een van de vier grote begrippen van dit vak: vorming, verhouding, binding en verandering. Elke examenvraag is terug te brengen tot een ervan.

    Naar de les over Concepten toepassen op het nieuws

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 65 begrippen.

5 onderwerpen
4 onderwerpen
6 onderwerpen
4 onderwerpen
6 onderwerpen
4 onderwerpen
Begin opnieuw