Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
10 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
beleidsinstrument
Het middel waarmee de overheid invloed uitoefent: wetgeving, geld, voorlichting of voorzieningen. Bij een beleidsvraag noem je het instrument, niet alleen het doel.
-
cultuuroverdracht
Het doorgeven van waarden, normen en gewoonten aan een volgende generatie. Dat gaat deels bewust, bijvoorbeeld op school, en deels ongemerkt.
-
confessionalisme
De stroming die uitgaat van een geloofsovertuiging en van samenwerking tussen groepen, met de nadruk op verantwoordelijkheid voor elkaar.
-
modernisering
De verzamelnaam voor de veranderingen die een samenleving moderner maken: rationeler, individueler en meer georganiseerd. Politieke stromingen verschillen juist in hun oordeel hierover.
-
institutionalisering
Het proces waarin gedrag vastgelegd wordt in organisaties en regels, zoals een onderwijsinspectie of een cao. Het maakt de samenleving voorspelbaarder en stroever.
-
globalisering
Het proces waarin landen economisch, politiek, cultureel en technisch steeds meer van elkaar afhankelijk worden. Benoem bij een vraag welke van de vier lagen het is.
-
liberalisme
De stroming die vrijheid vooropstelt: een kleine overheid, ruimte voor de markt en nadruk op eigen verantwoordelijkheid.
-
levenskansen
De kansen die iemand heeft op goede scholing, gezondheid, werk en wonen. Ongelijkheid zie je het duidelijkst als je die kansen vergelijkt, niet de uitkomsten.
-
representativiteit
De vraag of de vertegenwoordigers een goede afspiegeling zijn van de bevolking. Een parlement kan representatief zijn in standpunten en toch niet in samenstelling.
-
rationalisering
Het proces waarin beslissingen steeds vaker op berekening en regels berusten in plaats van op gewoonte of geloof. Denk aan protocollen en meetbare doelen.