Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

40 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. hellingsgetal

    Hoeveel een lineair verband per stap stijgt of daalt. In de formule is het het getal vóór de letter.

    Naar de les over Tabel, grafiek en formule

  2. gelijkvormig

    Twee figuren hebben dezelfde vorm, met gelijke hoeken en zijden die allemaal met hetzelfde getal vergroot zijn.

    Naar de les over Gelijkvormig en op schaal

  3. sinus

    De verhouding tussen de overstaande zijde en de schuine zijde van een rechthoekige driehoek.

    Naar de les over Sinus, cosinus en tangens

  4. complementregel

    De kans dat iets niet gebeurt is 1 min de kans dat het wel gebeurt. Handig bij vragen met minstens één.

    Naar de les over Kans uitrekenen met een boomdiagram

  5. schuine zijde

    De langste zijde van een rechthoekige driehoek, tegenover de rechte hoek. In Pythagoras is dat de zijde die alleen staat.

    Naar de les over De stelling van Pythagoras

  6. oppervlakte

    Hoeveel vlak er binnen de rand past. Die meet je in vierkante centimeter of vierkante meter.

    Naar de les over Omtrek en oppervlakte

  7. rechthoekszijde

    Een van de twee korte zijden van een rechthoekige driehoek, die samen de rechte hoek vormen.

    Naar de les over De stelling van Pythagoras

  8. overstaande zijde

    De zijde die tegenover de hoek ligt waar je naar kijkt. Welke dat is hangt dus af van de hoek, niet van de driehoek.

    Naar de les over Sinus, cosinus en tangens

  9. grafiek

    Een tekening van een verband in een assenstelsel. Daaraan zie je de vorm, bijvoorbeeld of het recht of krom loopt.

    Naar de les over Tabel, grafiek en formule

  10. omtrek

    De lengte van de rand van een figuur. Die meet je in centimeter of meter.

    Naar de les over Omtrek en oppervlakte

  11. groeifactor

    Het getal waarmee je bij exponentiële groei elke stap vermenigvuldigt. Boven 1 groeit het, onder 1 krimpt het.

    Naar de les over Erbij of keer

  12. kans

    Het aantal gunstige uitkomsten gedeeld door het totale aantal uitkomsten, zolang elke uitkomst even waarschijnlijk is.

    Naar de les over Kans uitrekenen met een boomdiagram

  13. exponentieel verband

    Een verband waarbij je per stap steeds keer hetzelfde getal gaat. De grafiek loopt eerst vlak en daarna steeds steiler.

    Naar de les over Erbij of keer

  14. tabel

    Een rijtje bij elkaar horende waarden. Handig om een losse waarde op te zoeken of in te vullen.

    Naar de les over Tabel, grafiek en formule

  15. inhoud

    Hoeveel ruimte een figuur inneemt, gemeten in kubieke centimeter of liter. Bij een prisma of cilinder is het grondvlak maal hoogte.

    Naar de les over Inhoud van ruimtefiguren

  16. mediaan

    Het middelste getal als je alles op volgorde zet. Bij een even aantal neem je het gemiddelde van de twee middelste.

    Naar de les over Gemiddelde, mediaan en modus

  17. straal

    De afstand van het midden van een cirkel tot de rand. Dat is de helft van de diameter, en in de formules staat de straal.

    Naar de les over Inhoud van ruimtefiguren

  18. modus

    Het getal dat het vaakst voorkomt. Er kunnen er ook meer zijn.

    Naar de les over Gemiddelde, mediaan en modus

  19. oppervlaktemaat

    Een maat voor vlak, zoals vierkante meter. Elke trede is hier een factor 100, want je rekent in twee richtingen tegelijk.

    Naar de les over Maten omrekenen zonder te gokken

  20. kortingsfactor

    Het getal waarmee je in één keer vermenigvuldigt om een korting te verwerken. Bij 20 procent korting reken je keer 0,8, want dat houd je over.

    Naar de les over Rekenen met een verhoudingstabel

  21. hoogte van een driehoek

    De afstand van de top tot de basis, loodrecht gemeten. Dat is niet hetzelfde als een schuine zijde.

    Naar de les over Omtrek en oppervlakte

  22. verhaalsom

    Een opgave in gewone taal. Je leest hem, vertaalt naar wiskunde, rekent, en vertaalt het antwoord terug naar de situatie.

    Naar de les over Van verhaal naar som en terug

  23. lengtemaat

    Een maat voor afstand, zoals meter of centimeter. Elke trede op de maatladder is bij lengte een factor 10.

    Naar de les over Maten omrekenen zonder te gokken

  24. procent

    Een honderdste deel. Het geheel is altijd 100 procent, ook als dat getal niet in de vraag staat.

    Naar de les over Rekenen met een verhoudingstabel

  25. aanliggende zijde

    De zijde die de hoek raakt waar je naar kijkt en die niet de schuine zijde is.

    Naar de les over Sinus, cosinus en tangens

  26. verhoudingstabel

    Een tabel met twee rijen waarin je met de onderste rij precies hetzelfde doet als met de bovenste. Zo reken je van de ene verhouding naar de andere.

    Naar de les over Rekenen met een verhoudingstabel

  27. onafhankelijke gebeurtenis

    Een gebeurtenis waarvan de kans niet verandert door wat er daarvoor gebeurde. Een munt heeft geen geheugen.

    Naar de les over Kans uitrekenen met een boomdiagram

  28. stelling van Pythagoras

    In een rechthoekige driehoek zijn de twee korte zijden in het kwadraat samen gelijk aan de lange zijde in het kwadraat.

    Naar de les over De stelling van Pythagoras

  29. tangens

    De verhouding tussen de overstaande zijde en de aanliggende zijde van een rechthoekige driehoek.

    Naar de les over Sinus, cosinus en tangens

  30. cosinus

    De verhouding tussen de aanliggende zijde en de schuine zijde van een rechthoekige driehoek.

    Naar de les over Sinus, cosinus en tangens

  31. gemiddelde

    Alles bij elkaar opgeteld en gedeeld door het aantal. Eén heel hoge of lage waarde trekt het flink scheef.

    Naar de les over Gemiddelde, mediaan en modus

  32. schaal

    De verhouding tussen een lengte op de tekening en de echte lengte. Bij 1 op 100 is 1 centimeter op papier 1 meter in het echt.

    Naar de les over Gelijkvormig en op schaal

  33. rechthoekige driehoek

    Een driehoek met een hoek van 90 graden. Alleen daar geldt de stelling van Pythagoras.

    Naar de les over De stelling van Pythagoras

  34. boomdiagram

    Een tekening waarin elke keuze of worp een vertakking is. Langs een tak vermenigvuldig je de kansen.

    Naar de les over Kans uitrekenen met een boomdiagram

  35. eenheidsprijs

    De prijs van één stuk of van één eenheid. Via die tussenstap reken je makkelijk naar elk ander aantal.

    Naar de les over Rekenen met een verhoudingstabel

  36. balansmethode

    Een vergelijking oplossen door links en rechts precies hetzelfde te doen. Blijft het in balans, dan blijft de oplossing kloppen.

    Naar de les over Een vergelijking oplossen

  37. inhoudsmaat

    Een maat voor ruimte, zoals kubieke meter of liter. Elke trede is een factor 1000, want je rekent in drie richtingen tegelijk.

    Naar de les over Maten omrekenen zonder te gokken

  38. formule

    Een rekenregel met letters, waarmee je ook waarden uitrekent die niet in de tabel staan.

    Naar de les over Tabel, grafiek en formule

  39. startgetal

    De waarde waar een lineair verband bij nul begint. In de grafiek is dat de hoogte waar de lijn de verticale as snijdt.

    Naar de les over Tabel, grafiek en formule

  40. lineair verband

    Een verband waarbij er per stap steeds hetzelfde bij komt. De grafiek is een rechte lijn.

    Naar de les over Tabel, grafiek en formule

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 42 begrippen.

3 onderwerpen
1 onderwerp
2 onderwerpen
5 onderwerpen
2 onderwerpen
Begin opnieuw