Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

20 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. schaal

    De verhouding tussen een lengte op de tekening en de echte lengte. Bij 1 op 100 is 1 centimeter op papier 1 meter in het echt.

    Naar de les over Gelijkvormig en op schaal

  2. tabel

    Een rijtje bij elkaar horende waarden. Handig om een losse waarde op te zoeken of in te vullen.

    Naar de les over Tabel, grafiek en formule

  3. modus

    Het getal dat het vaakst voorkomt. Er kunnen er ook meer zijn.

    Naar de les over Gemiddelde, mediaan en modus

  4. vergrotingsfactor

    Het getal waarmee je elke lengte vermenigvuldigt. De oppervlakte gaat dan keer dat getal in het kwadraat.

    Naar de les over Gelijkvormig en op schaal

  5. oppervlakte

    Hoeveel vlak er binnen de rand past. Die meet je in vierkante centimeter of vierkante meter.

    Naar de les over Omtrek en oppervlakte

  6. inhoud

    Hoeveel ruimte een figuur inneemt, gemeten in kubieke centimeter of liter. Bij een prisma of cilinder is het grondvlak maal hoogte.

    Naar de les over Inhoud van ruimtefiguren

  7. straal

    De afstand van het midden van een cirkel tot de rand. Dat is de helft van de diameter, en in de formules staat de straal.

    Naar de les over Inhoud van ruimtefiguren

  8. verhoudingstabel

    Een tabel met twee rijen waarin je met de onderste rij precies hetzelfde doet als met de bovenste. Zo reken je van de ene verhouding naar de andere.

    Naar de les over Rekenen met een verhoudingstabel

  9. gelijkvormig

    Twee figuren hebben dezelfde vorm, met gelijke hoeken en zijden die allemaal met hetzelfde getal vergroot zijn.

    Naar de les over Gelijkvormig en op schaal

  10. rechthoekige driehoek

    Een driehoek met een hoek van 90 graden. Alleen daar geldt de stelling van Pythagoras.

    Naar de les over De stelling van Pythagoras

  11. formule

    Een rekenregel met letters, waarmee je ook waarden uitrekent die niet in de tabel staan.

    Naar de les over Tabel, grafiek en formule

  12. vergelijking

    Een som met een isgelijkteken en een onbekende erin. Oplossen is uitzoeken welk getal die onbekende moet zijn.

    Naar de les over Een vergelijking oplossen

  13. exponentieel verband

    Een verband waarbij je per stap steeds keer hetzelfde getal gaat. De grafiek loopt eerst vlak en daarna steeds steiler.

    Naar de les over Erbij of keer

  14. verhaalsom

    Een opgave in gewone taal. Je leest hem, vertaalt naar wiskunde, rekent, en vertaalt het antwoord terug naar de situatie.

    Naar de les over Van verhaal naar som en terug

  15. sinus

    De verhouding tussen de overstaande zijde en de schuine zijde van een rechthoekige driehoek.

    Naar de les over Sinus, cosinus en tangens

  16. procent

    Een honderdste deel. Het geheel is altijd 100 procent, ook als dat getal niet in de vraag staat.

    Naar de les over Rekenen met een verhoudingstabel

  17. groeifactor

    Het getal waarmee je bij exponentiële groei elke stap vermenigvuldigt. Boven 1 groeit het, onder 1 krimpt het.

    Naar de les over Erbij of keer

  18. lineair verband

    Een verband waarbij er per stap steeds hetzelfde bij komt. De grafiek is een rechte lijn.

    Naar de les over Tabel, grafiek en formule

  19. cosinus

    De verhouding tussen de aanliggende zijde en de schuine zijde van een rechthoekige driehoek.

    Naar de les over Sinus, cosinus en tangens

  20. rechthoekszijde

    Een van de twee korte zijden van een rechthoekige driehoek, die samen de rechte hoek vormen.

    Naar de les over De stelling van Pythagoras

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 42 begrippen.

3 onderwerpen
1 onderwerp
2 onderwerpen
5 onderwerpen
2 onderwerpen
Begin opnieuw