Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

80 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. legering

    Een mengsel van metalen, zoals brons, messing of staal. Een legering heeft vaak betere eigenschappen dan het metaal alleen.

    Naar de les over Metalen uit de grond halen

  2. polymeer

    Een heel lang molecuul dat is opgebouwd uit duizenden kleine, gelijke stukjes. Plastic bestaat eruit.

    Naar de les over Van klein molecuul naar plastic

  3. basische oplossing

    Een oplossing met veel hydroxide-ionen erin. De pH is hoger dan 7.

    Naar de les over Zuur, neutraal of basisch

  4. rendement

    Hoeveel je in de praktijk overhoudt van wat er in theorie mogelijk was, in procenten. Een deel reageert niet of blijft achter in de installatie.

    Naar de les over Rekenen aan een productieproces

  5. halveringstijd

    De tijd waarin de helft van de radioactieve kernen vervalt. Elke halveringstijd haalt er weer de helft af, niet een vast stuk.

    Naar de les over Veilig werken met stoffen en straling

  6. demiwater

    Water waar ook de opgeloste zouten uit zijn gehaald. Het wordt gebruikt waar aanslag een probleem is.

    Naar de les over Welk water is het

  7. werkwijze

    Het deel van een verslag waarin staat wat je precies hebt gedaan. Zo opgeschreven dat iemand anders de proef kan overdoen.

    Naar de les over Verslag doen van een onderzoek

  8. dichtheid

    De massa van een stof per eenheid volume, bijvoorbeeld in gram per kubieke centimeter. Het is een stofeigenschap, dus onafhankelijk van hoe groot je stuk is.

    Naar de les over Een stof herkennen aan zijn eigenschappen

  9. zeewater

    Water met veel opgelost zout erin. Pas na ontzilting kun je het drinken.

    Naar de les over Welk water is het

  10. reactieproduct

    Een stof die bij een reactie ontstaat. Die staat rechts van de pijl in de reactievergelijking.

    Naar de les over Atomen, moleculen en ionen

  11. pH

    Het getal dat zegt hoe zuur of hoe basisch een oplossing is. Onder 7 is zuur, 7 is neutraal en boven 7 is basisch.

    Naar de les over Zuur, neutraal of basisch

  12. endotherm

    Een reactie waarbij juist warmte nodig is. De omgeving wordt kouder of je moet blijven verwarmen.

    Naar de les over Wanneer is het een chemische reactie

  13. zout

    Een stof die uit ionen bestaat, positieve en negatieve netjes verdeeld in een rooster. De ladingen bepalen de verhouding, dus voorvoegsels gebruik je niet.

    Naar de les over Atomen, moleculen en ionen

  14. zandfilter

    Een laag zand waar water doorheen gaat, zodat de kleine zwevende deeltjes achterblijven.

    Naar de les over Van bron tot kraan

  15. zuivere stof

    Een stof die uit één soort deeltje bestaat. Die heeft een vast smeltpunt en een vast kookpunt, dus geen traject.

    Naar de les over Zuivere stof of mengsel

  16. emulsie

    Een mengsel van vet en water dat niet uit elkaar valt, zoals een crème of melk.

    Naar de les over Hoe zeep vet meeneemt

  17. pH-meter

    Een apparaat dat de pH elektrisch meet en een getal met een decimaal geeft. Nauwkeuriger dan een indicator.

    Naar de les over Meten hoe zuur iets is

  18. chemische reactie

    Een verandering waarbij stoffen verdwijnen en er nieuwe stoffen met andere eigenschappen ontstaan. Smelten en verdampen horen er niet bij.

    Naar de les over Wanneer is het een chemische reactie

  19. scheidingsmethode

    Een manier om de stoffen in een mengsel uit elkaar te halen, zoals filtreren, indampen of destilleren. Er ontstaat geen nieuwe stof.

    Naar de les over Aardolie scheiden in een raffinaderij

  20. kraken

    Lange moleculen uit aardolie in kortere breken. Dat levert extra benzine op, waar meer vraag naar is.

    Naar de les over Aardolie scheiden in een raffinaderij

  21. grondstof

    Een stof waar je iets anders van maakt. Korte moleculen uit aardolie zijn de grondstof voor plastic, verf en kleding.

    Naar de les over Aardolie scheiden in een raffinaderij

  22. periodiek systeem

    De tabel waarin alle elementen op volgorde staan. Je leest er het symbool, de plek in een rij en de plek in een kolom uit af.

    Naar de les over Het periodiek systeem lezen

  23. base

    Een stof die in water hydroxide-ionen afgeeft, zoals natronloog of ammonia.

    Naar de les over Zuur, neutraal of basisch

  24. bijtende stof

    Een stof die je huid of je ogen aantast. Hij blijft doorwerken zolang hij erop zit, ook als je nog niets voelt.

    Naar de les over Gevaarlijke stoffen herkennen

  25. zure oplossing

    Een oplossing met veel waterstofionen erin. De pH is lager dan 7.

    Naar de les over Zuur, neutraal of basisch

  26. periode

    Een rij in het periodiek systeem.

    Naar de les over Het periodiek systeem lezen

  27. exotherm

    Een reactie waarbij warmte vrijkomt, zoals een verbranding. De omgeving wordt warmer.

    Naar de les over Wanneer is het een chemische reactie

  28. mengsel

    Twee of meer stoffen door elkaar. Een mengsel smelt en kookt over een traject en is met een scheidingsmethode te splitsen.

    Naar de les over Zuivere stof of mengsel

  29. eindpunt

    Het moment in een titratie waarop de indicator omslaat. Dat is het sein om te stoppen met druppelen.

    Naar de les over Titreren tot het omslaat

  30. brak water

    Water waar zoet en zout water zich mengen, bijvoorbeeld waar een rivier in zee stroomt.

    Naar de les over Welk water is het

  31. erts

    Gesteente waarin een metaal aan andere stoffen gebonden zit. Met een reactie haal je het metaal eruit.

    Naar de les over Metalen uit de grond halen

  32. polymerisatie

    De reactie waarbij monomeren aan elkaar worden gekoppeld tot een polymeer.

    Naar de les over Van klein molecuul naar plastic

  33. koolstofmono-oxide

    Een gas dat ontstaat bij een onvolledige verbranding. Je ruikt en ziet het niet en het is giftig.

    Naar de les over Verbranden en blussen

  34. smelttraject

    Het gebied tussen de temperatuur waarbij een mengsel begint te smelten en waarbij het helemaal vloeibaar is. Een zuivere stof heeft dat niet.

    Naar de les over Zuivere stof of mengsel

  35. ion

    Een deeltje met een elektrische lading, positief of negatief. In een zout zitten positieve en negatieve ionen bij elkaar.

    Naar de les over Atomen, moleculen en ionen

  36. thermoplast

    Een plastic dat zacht wordt als je het verwarmt. Daardoor is het om te smelten en opnieuw te vormen.

    Naar de les over Van klein molecuul naar plastic

  37. reactievergelijking

    De schrijfwijze van een reactie, met de beginstoffen links en de reactieproducten rechts. Hij klopt pas als er voor en na de pijl evenveel atomen van elke soort staan.

    Naar de les over Een reactievergelijking kloppend maken

  38. edel metaal

    Een metaal dat niet met zuurstof reageert, zoals goud. Het komt in de natuur als zuiver metaal voor.

    Naar de les over Metalen uit de grond halen

  39. leidingwater

    Gezuiverd water uit de kraan, veilig om te drinken. Er zitten nog wat opgeloste zouten in.

    Naar de les over Welk water is het

  40. groep

    Een kolom in het periodiek systeem. Elementen in dezelfde kolom lijken in hun gedrag op elkaar.

    Naar de les over Het periodiek systeem lezen

  41. molecuul

    Twee of meer atomen die aan elkaar vastzitten. Water en zuurstof bestaan uit moleculen.

    Naar de les over Atomen, moleculen en ionen

  42. edelgas

    Een element uit de laatste kolom van het periodiek systeem. Die reageren bijna nergens mee.

    Naar de les over Het periodiek systeem lezen

  43. brandstof

    Een stof die kan verbranden, zoals hout, aardgas of benzine. Zonder brandstof is er geen vuur.

    Naar de les over Verbranden en blussen

  44. oplosmiddel

    Een vloeistof waarin een andere stof oplost, zoals wasbenzine voor vet. Dat is een andere aanpak dan zeep.

    Naar de les over Hoe zeep vet meeneemt

  45. index

    Het kleine getal achter een atoomsoort in een formule, dat zegt hoeveel van die atomen in het deeltje zitten. Aan een index mag je nooit sleutelen.

    Naar de les over Een reactievergelijking kloppend maken

  46. conclusie

    Het deel van een verslag dat zegt wat je metingen betekenen en of je antwoord geeft op de onderzoeksvraag. De getallen zelf horen bij de resultaten.

    Naar de les over Verslag doen van een onderzoek

  47. universeelindicator

    Een mengsel van indicatoren dat per pH een andere kleur geeft. Daarmee schat je de pH op ongeveer een hele eenheid.

    Naar de les over Meten hoe zuur iets is

  48. indicator

    Een stof die van kleur verandert bij een bepaalde pH. Daarmee zie je of iets zuur of basisch is.

    Naar de les over Meten hoe zuur iets is

  49. broeikaseffect

    Het vasthouden van warmte door gassen in de lucht, vooral koolstofdioxide. Meer van die gassen betekent een warmere aarde.

    Naar de les over Wat verbranden met de lucht doet

  50. lakmoes

    Een indicator die rood is in zuur en blauw in basisch. Hij zegt welke kant het op is, niet hoeveel.

    Naar de les over Meten hoe zuur iets is

  51. gevaarsymbool

    Het zwarte plaatje in een ruit met een rode rand op een verpakking. Het zegt in één oogopslag waar je bij die stof op moet letten.

    Naar de les over Gevaarlijke stoffen herkennen

  52. oplossing

    Een mengsel waarin een stof zo fijn verdeeld is dat je hem niet meer ziet, zoals zout in water. Filtreren helpt dan niet, indampen wel.

    Naar de les over Zuivere stof of mengsel

  53. onvolledige verbranding

    Een verbranding met te weinig zuurstof. Dan ontstaat er ook roet en koolstofmono-oxide.

    Naar de les over Verbranden en blussen

  54. thermoharder

    Een plastic dat hard blijft bij verwarmen en eerder verbrandt dan smelt. Dat is dus niet om te smelten.

    Naar de les over Van klein molecuul naar plastic

  55. moleculaire stof

    Een stof die uit moleculen bestaat. Bij de naam hoort een voorvoegsel dat zegt hoeveel atomen er in het molecuul zitten.

    Naar de les over Atomen, moleculen en ionen

  56. grondwater

    Water dat in de bodem is gezakt en daarbij door zand en grind is gegaan. Daardoor is het vrij schoon.

    Naar de les over Van bron tot kraan

  57. oppervlaktewater

    Water uit een rivier of een meer. Dat is viezer dan grondwater en moet dus verder gezuiverd worden.

    Naar de les over Van bron tot kraan

  58. onedel metaal

    Een metaal dat met zuurstof reageert. In de grond zit het daarom vast in een erts en niet als zuiver metaal.

    Naar de les over Metalen uit de grond halen

  59. actieve kool

    Kool met een enorm oppervlak vol poriën. Daaraan blijven smaakstoffen en vuil hangen, zodat het water schoner wordt.

    Naar de les over Van bron tot kraan

  60. behoud van massa

    Bij een chemische reactie is de massa van de beginstoffen samen gelijk aan die van de reactieproducten samen. Er verdwijnt niets, het ziet er alleen anders uit.

    Naar de les over Rekenen aan een productieproces

  61. stofeigenschap

    Een eigenschap die bij de stof zelf hoort en niet bij het stuk dat je vasthebt, zoals kookpunt, dichtheid en kleur.

    Naar de les over Een stof herkennen aan zijn eigenschappen

  62. fractie

    Een stuk uit de destillatietoren dat op ongeveer hetzelfde kookpunt naar buiten komt. Het is nog steeds een mengsel, alleen een smaller.

    Naar de les over Aardolie scheiden in een raffinaderij

  63. titratie

    Een meting waarbij je druppelsgewijs een oplossing met bekende sterkte toevoegt, tot de reactie precies klaar is. Daarmee bereken je de onbekende sterkte.

    Naar de les over Titreren tot het omslaat

  64. ontzilting

    Het zout uit zeewater halen, zodat je er drinkwater van kunt maken. Dat kost veel energie.

    Naar de les over Welk water is het

  65. volledige verbranding

    Een verbranding met genoeg zuurstof. Bij een brandstof met koolstof en waterstof ontstaan dan koolstofdioxide en water.

    Naar de les over Wat verbranden met de lucht doet

  66. coëfficiënt

    Het grote getal vóór een formule, dat zegt hoeveel deeltjes er meedoen. Daarmee maak je een reactievergelijking kloppend.

    Naar de les over Een reactievergelijking kloppend maken

  67. faseovergang

    Een verandering tussen vast, vloeibaar en gas. De stof blijft dezelfde, dus het is geen chemische reactie.

    Naar de les over Wanneer is het een chemische reactie

  68. hard water

    Water met veel opgeloste kalk erin. Daar heb je meer wasmiddel voor nodig en je krijgt er eerder aanslag van.

    Naar de les over Van bron tot kraan

  69. element

    Een stof die uit één soort atoom bestaat, zoals zuurstof of ijzer. Elk element heeft een symbool van één of twee letters.

    Naar de les over Het periodiek systeem lezen

  70. destilleren

    Een mengsel scheiden op kookpunt, door te verdampen en de damp weer op te vangen. Zo wordt aardolie in fracties gesplitst.

    Naar de les over Aardolie scheiden in een raffinaderij

  71. suspensie

    Een mengsel waarin vaste deeltjes zweven die je nog kunt zien, zoals modderwater. Met filtreren haal je ze eruit.

    Naar de les over Zuivere stof of mengsel

  72. wasmiddel

    Een stof met moleculen die aan één kant van water houden en aan de andere kant van vet. Zo neemt water het vet alsnog mee.

    Naar de les over Hoe zeep vet meeneemt

  73. zoet water

    Water met weinig opgelost zout, zoals in een rivier of een meer. Toch nog niet zomaar drinkbaar.

    Naar de les over Welk water is het

  74. zuur

    Een stof die in water waterstofionen afgeeft, zoals zoutzuur of zwavelzuur.

    Naar de les over Zuur, neutraal of basisch

  75. monomeer

    Het kleine molecuul waaruit een polymeer wordt opgebouwd.

    Naar de les over Van klein molecuul naar plastic

  76. neutralisatie

    De reactie van een zuur met een base, waarbij water en een zout ontstaan. Er komt warmte bij vrij.

    Naar de les over Zuur, neutraal of basisch

  77. branddriehoek

    De drie dingen die een vuur nodig heeft, namelijk brandstof, zuurstof en een temperatuur boven het ontbrandingspunt. Haal er één weg en het vuur gaat uit.

    Naar de les over Verbranden en blussen

  78. ontbrandingspunt

    De temperatuur die een stof minstens moet hebben om te gaan branden. Koel je eronder, dan dooft het vuur.

    Naar de les over Verbranden en blussen

  79. atoom

    Het kleinste deeltje van een element. Alles om je heen is eruit opgebouwd.

    Naar de les over Atomen, moleculen en ionen

  80. fenolftaleïne

    Een indicator die kleurloos is in zuur en roze in basisch. Handig bij een titratie van een zuur met een sterke base.

    Naar de les over Titreren tot het omslaat

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 80 begrippen.

4 onderwerpen
2 onderwerpen
2 onderwerpen
2 onderwerpen
2 onderwerpen
1 onderwerp
1 onderwerp
1 onderwerp
3 onderwerpen
3 onderwerpen
Begin opnieuw