Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

80 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. endotherm

    Een reactie waarbij juist warmte nodig is. De omgeving wordt kouder of je moet blijven verwarmen.

    Naar de les over Wanneer is het een chemische reactie

  2. demiwater

    Water waar ook de opgeloste zouten uit zijn gehaald. Het wordt gebruikt waar aanslag een probleem is.

    Naar de les over Welk water is het

  3. thermoplast

    Een plastic dat zacht wordt als je het verwarmt. Daardoor is het om te smelten en opnieuw te vormen.

    Naar de les over Van klein molecuul naar plastic

  4. periodiek systeem

    De tabel waarin alle elementen op volgorde staan. Je leest er het symbool, de plek in een rij en de plek in een kolom uit af.

    Naar de les over Het periodiek systeem lezen

  5. oplosmiddel

    Een vloeistof waarin een andere stof oplost, zoals wasbenzine voor vet. Dat is een andere aanpak dan zeep.

    Naar de les over Hoe zeep vet meeneemt

  6. halveringstijd

    De tijd waarin de helft van de radioactieve kernen vervalt. Elke halveringstijd haalt er weer de helft af, niet een vast stuk.

    Naar de les over Veilig werken met stoffen en straling

  7. smelttraject

    Het gebied tussen de temperatuur waarbij een mengsel begint te smelten en waarbij het helemaal vloeibaar is. Een zuivere stof heeft dat niet.

    Naar de les over Zuivere stof of mengsel

  8. destilleren

    Een mengsel scheiden op kookpunt, door te verdampen en de damp weer op te vangen. Zo wordt aardolie in fracties gesplitst.

    Naar de les over Aardolie scheiden in een raffinaderij

  9. indicator

    Een stof die van kleur verandert bij een bepaalde pH. Daarmee zie je of iets zuur of basisch is.

    Naar de les over Meten hoe zuur iets is

  10. onvolledige verbranding

    Een verbranding met te weinig zuurstof. Dan ontstaat er ook roet en koolstofmono-oxide.

    Naar de les over Verbranden en blussen

  11. emulsie

    Een mengsel van vet en water dat niet uit elkaar valt, zoals een crème of melk.

    Naar de les over Hoe zeep vet meeneemt

  12. zandfilter

    Een laag zand waar water doorheen gaat, zodat de kleine zwevende deeltjes achterblijven.

    Naar de les over Van bron tot kraan

  13. suspensie

    Een mengsel waarin vaste deeltjes zweven die je nog kunt zien, zoals modderwater. Met filtreren haal je ze eruit.

    Naar de les over Zuivere stof of mengsel

  14. reactieproduct

    Een stof die bij een reactie ontstaat. Die staat rechts van de pijl in de reactievergelijking.

    Naar de les over Atomen, moleculen en ionen

  15. dichtheid

    De massa van een stof per eenheid volume, bijvoorbeeld in gram per kubieke centimeter. Het is een stofeigenschap, dus onafhankelijk van hoe groot je stuk is.

    Naar de les over Een stof herkennen aan zijn eigenschappen

  16. monomeer

    Het kleine molecuul waaruit een polymeer wordt opgebouwd.

    Naar de les over Van klein molecuul naar plastic

  17. behoud van massa

    Bij een chemische reactie is de massa van de beginstoffen samen gelijk aan die van de reactieproducten samen. Er verdwijnt niets, het ziet er alleen anders uit.

    Naar de les over Rekenen aan een productieproces

  18. edel metaal

    Een metaal dat niet met zuurstof reageert, zoals goud. Het komt in de natuur als zuiver metaal voor.

    Naar de les over Metalen uit de grond halen

  19. conclusie

    Het deel van een verslag dat zegt wat je metingen betekenen en of je antwoord geeft op de onderzoeksvraag. De getallen zelf horen bij de resultaten.

    Naar de les over Verslag doen van een onderzoek

  20. zure oplossing

    Een oplossing met veel waterstofionen erin. De pH is lager dan 7.

    Naar de les over Zuur, neutraal of basisch

  21. zoet water

    Water met weinig opgelost zout, zoals in een rivier of een meer. Toch nog niet zomaar drinkbaar.

    Naar de les over Welk water is het

  22. ontzilting

    Het zout uit zeewater halen, zodat je er drinkwater van kunt maken. Dat kost veel energie.

    Naar de les over Welk water is het

  23. brandstof

    Een stof die kan verbranden, zoals hout, aardgas of benzine. Zonder brandstof is er geen vuur.

    Naar de les over Verbranden en blussen

  24. legering

    Een mengsel van metalen, zoals brons, messing of staal. Een legering heeft vaak betere eigenschappen dan het metaal alleen.

    Naar de les over Metalen uit de grond halen

  25. hard water

    Water met veel opgeloste kalk erin. Daar heb je meer wasmiddel voor nodig en je krijgt er eerder aanslag van.

    Naar de les over Van bron tot kraan

  26. koolstofmono-oxide

    Een gas dat ontstaat bij een onvolledige verbranding. Je ruikt en ziet het niet en het is giftig.

    Naar de les over Verbranden en blussen

  27. pH

    Het getal dat zegt hoe zuur of hoe basisch een oplossing is. Onder 7 is zuur, 7 is neutraal en boven 7 is basisch.

    Naar de les over Zuur, neutraal of basisch

  28. thermoharder

    Een plastic dat hard blijft bij verwarmen en eerder verbrandt dan smelt. Dat is dus niet om te smelten.

    Naar de les over Van klein molecuul naar plastic

  29. edelgas

    Een element uit de laatste kolom van het periodiek systeem. Die reageren bijna nergens mee.

    Naar de les over Het periodiek systeem lezen

  30. neutralisatie

    De reactie van een zuur met een base, waarbij water en een zout ontstaan. Er komt warmte bij vrij.

    Naar de les over Zuur, neutraal of basisch

  31. erts

    Gesteente waarin een metaal aan andere stoffen gebonden zit. Met een reactie haal je het metaal eruit.

    Naar de les over Metalen uit de grond halen

  32. grondwater

    Water dat in de bodem is gezakt en daarbij door zand en grind is gegaan. Daardoor is het vrij schoon.

    Naar de les over Van bron tot kraan

  33. zuur

    Een stof die in water waterstofionen afgeeft, zoals zoutzuur of zwavelzuur.

    Naar de les over Zuur, neutraal of basisch

  34. rendement

    Hoeveel je in de praktijk overhoudt van wat er in theorie mogelijk was, in procenten. Een deel reageert niet of blijft achter in de installatie.

    Naar de les over Rekenen aan een productieproces

  35. base

    Een stof die in water hydroxide-ionen afgeeft, zoals natronloog of ammonia.

    Naar de les over Zuur, neutraal of basisch

  36. onedel metaal

    Een metaal dat met zuurstof reageert. In de grond zit het daarom vast in een erts en niet als zuiver metaal.

    Naar de les over Metalen uit de grond halen

  37. werkwijze

    Het deel van een verslag waarin staat wat je precies hebt gedaan. Zo opgeschreven dat iemand anders de proef kan overdoen.

    Naar de les over Verslag doen van een onderzoek

  38. polymerisatie

    De reactie waarbij monomeren aan elkaar worden gekoppeld tot een polymeer.

    Naar de les over Van klein molecuul naar plastic

  39. leidingwater

    Gezuiverd water uit de kraan, veilig om te drinken. Er zitten nog wat opgeloste zouten in.

    Naar de les over Welk water is het

  40. chemische reactie

    Een verandering waarbij stoffen verdwijnen en er nieuwe stoffen met andere eigenschappen ontstaan. Smelten en verdampen horen er niet bij.

    Naar de les over Wanneer is het een chemische reactie

  41. oplossing

    Een mengsel waarin een stof zo fijn verdeeld is dat je hem niet meer ziet, zoals zout in water. Filtreren helpt dan niet, indampen wel.

    Naar de les over Zuivere stof of mengsel

  42. fractie

    Een stuk uit de destillatietoren dat op ongeveer hetzelfde kookpunt naar buiten komt. Het is nog steeds een mengsel, alleen een smaller.

    Naar de les over Aardolie scheiden in een raffinaderij

  43. scheidingsmethode

    Een manier om de stoffen in een mengsel uit elkaar te halen, zoals filtreren, indampen of destilleren. Er ontstaat geen nieuwe stof.

    Naar de les over Aardolie scheiden in een raffinaderij

  44. branddriehoek

    De drie dingen die een vuur nodig heeft, namelijk brandstof, zuurstof en een temperatuur boven het ontbrandingspunt. Haal er één weg en het vuur gaat uit.

    Naar de les over Verbranden en blussen

  45. molecuul

    Twee of meer atomen die aan elkaar vastzitten. Water en zuurstof bestaan uit moleculen.

    Naar de les over Atomen, moleculen en ionen

  46. faseovergang

    Een verandering tussen vast, vloeibaar en gas. De stof blijft dezelfde, dus het is geen chemische reactie.

    Naar de les over Wanneer is het een chemische reactie

  47. lakmoes

    Een indicator die rood is in zuur en blauw in basisch. Hij zegt welke kant het op is, niet hoeveel.

    Naar de les over Meten hoe zuur iets is

  48. mengsel

    Twee of meer stoffen door elkaar. Een mengsel smelt en kookt over een traject en is met een scheidingsmethode te splitsen.

    Naar de les over Zuivere stof of mengsel

  49. atoom

    Het kleinste deeltje van een element. Alles om je heen is eruit opgebouwd.

    Naar de les over Atomen, moleculen en ionen

  50. actieve kool

    Kool met een enorm oppervlak vol poriën. Daaraan blijven smaakstoffen en vuil hangen, zodat het water schoner wordt.

    Naar de les over Van bron tot kraan

  51. gevaarsymbool

    Het zwarte plaatje in een ruit met een rode rand op een verpakking. Het zegt in één oogopslag waar je bij die stof op moet letten.

    Naar de les over Gevaarlijke stoffen herkennen

  52. moleculaire stof

    Een stof die uit moleculen bestaat. Bij de naam hoort een voorvoegsel dat zegt hoeveel atomen er in het molecuul zitten.

    Naar de les over Atomen, moleculen en ionen

  53. kraken

    Lange moleculen uit aardolie in kortere breken. Dat levert extra benzine op, waar meer vraag naar is.

    Naar de les over Aardolie scheiden in een raffinaderij

  54. bijtende stof

    Een stof die je huid of je ogen aantast. Hij blijft doorwerken zolang hij erop zit, ook als je nog niets voelt.

    Naar de les over Gevaarlijke stoffen herkennen

  55. index

    Het kleine getal achter een atoomsoort in een formule, dat zegt hoeveel van die atomen in het deeltje zitten. Aan een index mag je nooit sleutelen.

    Naar de les over Een reactievergelijking kloppend maken

  56. ontbrandingspunt

    De temperatuur die een stof minstens moet hebben om te gaan branden. Koel je eronder, dan dooft het vuur.

    Naar de les over Verbranden en blussen

  57. ion

    Een deeltje met een elektrische lading, positief of negatief. In een zout zitten positieve en negatieve ionen bij elkaar.

    Naar de les over Atomen, moleculen en ionen

  58. zout

    Een stof die uit ionen bestaat, positieve en negatieve netjes verdeeld in een rooster. De ladingen bepalen de verhouding, dus voorvoegsels gebruik je niet.

    Naar de les over Atomen, moleculen en ionen

  59. groep

    Een kolom in het periodiek systeem. Elementen in dezelfde kolom lijken in hun gedrag op elkaar.

    Naar de les over Het periodiek systeem lezen

  60. volledige verbranding

    Een verbranding met genoeg zuurstof. Bij een brandstof met koolstof en waterstof ontstaan dan koolstofdioxide en water.

    Naar de les over Wat verbranden met de lucht doet

  61. pH-meter

    Een apparaat dat de pH elektrisch meet en een getal met een decimaal geeft. Nauwkeuriger dan een indicator.

    Naar de les over Meten hoe zuur iets is

  62. element

    Een stof die uit één soort atoom bestaat, zoals zuurstof of ijzer. Elk element heeft een symbool van één of twee letters.

    Naar de les over Het periodiek systeem lezen

  63. broeikaseffect

    Het vasthouden van warmte door gassen in de lucht, vooral koolstofdioxide. Meer van die gassen betekent een warmere aarde.

    Naar de les over Wat verbranden met de lucht doet

  64. eindpunt

    Het moment in een titratie waarop de indicator omslaat. Dat is het sein om te stoppen met druppelen.

    Naar de les over Titreren tot het omslaat

  65. zeewater

    Water met veel opgelost zout erin. Pas na ontzilting kun je het drinken.

    Naar de les over Welk water is het

  66. periode

    Een rij in het periodiek systeem.

    Naar de les over Het periodiek systeem lezen

  67. titratie

    Een meting waarbij je druppelsgewijs een oplossing met bekende sterkte toevoegt, tot de reactie precies klaar is. Daarmee bereken je de onbekende sterkte.

    Naar de les over Titreren tot het omslaat

  68. fenolftaleïne

    Een indicator die kleurloos is in zuur en roze in basisch. Handig bij een titratie van een zuur met een sterke base.

    Naar de les over Titreren tot het omslaat

  69. exotherm

    Een reactie waarbij warmte vrijkomt, zoals een verbranding. De omgeving wordt warmer.

    Naar de les over Wanneer is het een chemische reactie

  70. stofeigenschap

    Een eigenschap die bij de stof zelf hoort en niet bij het stuk dat je vasthebt, zoals kookpunt, dichtheid en kleur.

    Naar de les over Een stof herkennen aan zijn eigenschappen

  71. wasmiddel

    Een stof met moleculen die aan één kant van water houden en aan de andere kant van vet. Zo neemt water het vet alsnog mee.

    Naar de les over Hoe zeep vet meeneemt

  72. grondstof

    Een stof waar je iets anders van maakt. Korte moleculen uit aardolie zijn de grondstof voor plastic, verf en kleding.

    Naar de les over Aardolie scheiden in een raffinaderij

  73. reactievergelijking

    De schrijfwijze van een reactie, met de beginstoffen links en de reactieproducten rechts. Hij klopt pas als er voor en na de pijl evenveel atomen van elke soort staan.

    Naar de les over Een reactievergelijking kloppend maken

  74. coëfficiënt

    Het grote getal vóór een formule, dat zegt hoeveel deeltjes er meedoen. Daarmee maak je een reactievergelijking kloppend.

    Naar de les over Een reactievergelijking kloppend maken

  75. basische oplossing

    Een oplossing met veel hydroxide-ionen erin. De pH is hoger dan 7.

    Naar de les over Zuur, neutraal of basisch

  76. universeelindicator

    Een mengsel van indicatoren dat per pH een andere kleur geeft. Daarmee schat je de pH op ongeveer een hele eenheid.

    Naar de les over Meten hoe zuur iets is

  77. brak water

    Water waar zoet en zout water zich mengen, bijvoorbeeld waar een rivier in zee stroomt.

    Naar de les over Welk water is het

  78. polymeer

    Een heel lang molecuul dat is opgebouwd uit duizenden kleine, gelijke stukjes. Plastic bestaat eruit.

    Naar de les over Van klein molecuul naar plastic

  79. oppervlaktewater

    Water uit een rivier of een meer. Dat is viezer dan grondwater en moet dus verder gezuiverd worden.

    Naar de les over Van bron tot kraan

  80. zuivere stof

    Een stof die uit één soort deeltje bestaat. Die heeft een vast smeltpunt en een vast kookpunt, dus geen traject.

    Naar de les over Zuivere stof of mengsel

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 80 begrippen.

4 onderwerpen
2 onderwerpen
2 onderwerpen
2 onderwerpen
2 onderwerpen
1 onderwerp
1 onderwerp
1 onderwerp
3 onderwerpen
3 onderwerpen
Begin opnieuw