Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
10 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
periodiek systeem
De tabel waarin alle elementen op volgorde staan. Je leest er het symbool, de plek in een rij en de plek in een kolom uit af.
-
polymeer
Een heel lang molecuul dat is opgebouwd uit duizenden kleine, gelijke stukjes. Plastic bestaat eruit.
-
zout
Een stof die uit ionen bestaat, positieve en negatieve netjes verdeeld in een rooster. De ladingen bepalen de verhouding, dus voorvoegsels gebruik je niet.
-
hard water
Water met veel opgeloste kalk erin. Daar heb je meer wasmiddel voor nodig en je krijgt er eerder aanslag van.
-
brandstof
Een stof die kan verbranden, zoals hout, aardgas of benzine. Zonder brandstof is er geen vuur.
-
leidingwater
Gezuiverd water uit de kraan, veilig om te drinken. Er zitten nog wat opgeloste zouten in.
-
groep
Een kolom in het periodiek systeem. Elementen in dezelfde kolom lijken in hun gedrag op elkaar.
-
conclusie
Het deel van een verslag dat zegt wat je metingen betekenen en of je antwoord geeft op de onderzoeksvraag. De getallen zelf horen bij de resultaten.
-
brak water
Water waar zoet en zout water zich mengen, bijvoorbeeld waar een rivier in zee stroomt.
-
zure oplossing
Een oplossing met veel waterstofionen erin. De pH is lager dan 7.