Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

76 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. cognitieve binding

    Verbondenheid via taal, kennis en gedeelde informatie. Zonder gedeelde taal valt meedoen zwaar.

    Naar de les over Sociale cohesie meten

  2. maatschappelijk conflict

    Een botsing van belangen tussen groepen. Je beschrijft oorzaak, partijen, machtsmiddelen en de manier waarop het wordt beslecht.

    Naar de les over Conflict en samenwerking tussen staten

  3. representatie

    Het vertegenwoordigd worden: anderen beslissen namens jou. In een democratie gebeurt dat via gekozen volksvertegenwoordigers.

    Naar de les over Instituties en representativiteit

  4. binding

    De manier waarop iemand met de samenleving verbonden is. Je onderscheidt affectieve, economische, cognitieve en politieke bindingen.

    Naar de les over Sociale cohesie meten

  5. staatsvorming

    Het proces waarin een staat steeds meer taken en het geweldsmonopolie naar zich toe trekt binnen een vast grondgebied.

    Naar de les over Staatsvorming, democratisering en globalisering

  6. overheidsbeleid

    Wat de overheid doet om een maatschappelijk probleem aan te pakken. Bij een vraag benoem je het instrument: wetgeving, geld, voorlichting of voorzieningen.

    Naar de les over Nederland in het krachtenveld

  7. kernconcept

    Een begrip dat onder een hoofdconcept valt, zoals socialisatie onder vorming. In een antwoord noem je het kernconcept en past het daarna toe op de bron.

    Naar de les over Concepten op het nieuws leggen

  8. socialisme

    De stroming die gelijkheid vooropstelt: de overheid herverdeelt en beschermt wie in een zwakke positie zit.

    Naar de les over Stromingen over modernisering

  9. politieke socialisatie

    Hoe je je politieke opvattingen opdoet: thuis, op school, via media en in je vriendenkring. Daarom lijken de opvattingen binnen een gezin vaak op elkaar.

    Naar de les over Politieke socialisatie en ideologie

  10. actualiteit analyseren

    Een gebeurtenis uit het nieuws uit elkaar halen met hoofd- en kernconcepten: welk concept speelt hier, op welk niveau, en welke actoren hebben welk belang.

    Naar de les over Een actualiteit onderzoeken

  11. internationale betrekkingen

    De verhoudingen tussen staten: samenwerking, concurrentie en conflict. Je analyseert ze met dezelfde begrippen als binnenlandse verhoudingen, maar zonder overheid die boven de partijen staat.

    Naar de les over Ongelijkheid tussen en binnen staten

  12. democratisering

    Het proces waarin steeds meer mensen mogen meebeslissen over het bestuur, en het bestuur verantwoording moet afleggen.

    Naar de les over Staatsvorming, democratisering en globalisering

  13. conflictbenadering

    Een manier van kijken waarin de samenleving draait om botsende belangen en ongelijke macht. De nadruk ligt op verandering en strijd.

    Naar de les over Drie brillen op socialisatie

  14. identiteit

    Het beeld dat iemand van zichzelf heeft, opgebouwd uit de groepen waar hij bij hoort. Identiteit ligt niet vast en verschuift met je omgeving.

    Naar de les over Socialisatie die verschuift

  15. representativiteit

    De vraag of de vertegenwoordigers een goede afspiegeling zijn van de bevolking. Een parlement kan representatief zijn in standpunten en toch niet in samenstelling.

    Naar de les over Instituties en representativiteit

  16. levenskansen

    De kansen die iemand heeft op goede scholing, gezondheid, werk en wonen. Ongelijkheid zie je het duidelijkst als je die kansen vergelijkt, niet de uitkomsten.

    Naar de les over Ongelijkheid tussen en binnen staten

  17. hoofdconcept

    Een van de vier grote begrippen van dit vak: vorming, verhouding, binding en verandering. Elke examenvraag is terug te brengen tot een ervan.

    Naar de les over Concepten op het nieuws leggen

  18. liberalisme

    De stroming die vrijheid vooropstelt: een kleine overheid, ruimte voor de markt en nadruk op eigen verantwoordelijkheid.

    Naar de les over Stromingen over modernisering

  19. beleidsinstrument

    Het middel waarmee de overheid invloed uitoefent: wetgeving, geld, voorlichting of voorzieningen. Bij een beleidsvraag noem je het instrument, niet alleen het doel.

    Naar de les over De overheid als opvoeder

  20. modernisering

    De verzamelnaam voor de veranderingen die een samenleving moderner maken: rationeler, individueler en meer georganiseerd. Politieke stromingen verschillen juist in hun oordeel hierover.

    Naar de les over Stromingen over modernisering

  21. macht

    Je wil kunnen doorzetten, ook als anderen dat niet willen. Macht zit niet in een persoon maar in een verhouding: hoe afhankelijk is de ander van jou?

    Naar de les over Macht, gezag en hypothesen

  22. districtenstelsel

    Een kiesstelsel waarin per district de winnaar alle zetels pakt. Dat levert duidelijke meerderheden op, maar laat kleine partijen buiten de deur.

    Naar de les over Twee kiesstelsels vergelijken

  23. sanctie

    Een reactie op gedrag die een norm bekrachtigt. Dat kan een straf zijn, maar een compliment is net zo goed een sanctie.

    Naar de les over Socialisatie en identiteit

  24. zwevende kiezer

    Iemand die per verkiezing opnieuw kiest en niet vastzit aan een partij. Het aantal zwevende kiezers is gegroeid door individualisering.

    Naar de les over Wie gaat er stemmen

  25. representatief onderzoek

    Onderzoek waarvan de deelnemers een goede afspiegeling zijn van de groep waar de conclusie over gaat.

    Naar de les over Onderzoek beoordelen

  26. rationalisering

    Het proces waarin beslissingen steeds vaker op berekening en regels berusten in plaats van op gewoonte of geloof. Denk aan protocollen en meetbare doelen.

    Naar de les over Drie processen die het westen vormden

  27. economische binding

    Verbondenheid via werk, inkomen en bestedingen. Wie buiten de arbeidsmarkt valt, verliest ook een stuk binding.

    Naar de les over Sociale cohesie meten

  28. polarisatie

    Het uit elkaar groeien van groepen, waarbij de tegenstelling scherper wordt en de ruimte in het midden kleiner.

    Naar de les over Ontwikkelingen en politieke binding

  29. confessionalisme

    De stroming die uitgaat van een geloofsovertuiging en van samenwerking tussen groepen, met de nadruk op verantwoordelijkheid voor elkaar.

    Naar de les over Stromingen over modernisering

  30. politieke binding

    Verbondenheid via meedoen aan het bestuur: stemmen, lid zijn, meepraten. Lage opkomst is een teken dat deze binding verzwakt.

    Naar de les over Meedoen in de politiek

  31. sociale institutie

    Een vast patroon van regels en gewoonten rond een maatschappelijke taak, zoals het onderwijs, het gezin of de rechtspraak. Instituties geven de samenleving haar vorm en veranderen langzaam.

    Naar de les over Machtsverhoudingen die schuiven

  32. institutionalisering

    Het proces waarin gedrag vastgelegd wordt in organisaties en regels, zoals een onderwijsinspectie of een cao. Het maakt de samenleving voorspelbaarder en stroever.

    Naar de les over Drie processen die het westen vormden

  33. politieke stroming

    Een samenhangende manier van kijken naar de samenleving, zoals liberalisme, socialisme en confessionalisme. Elke stroming legt een eigen verhouding tussen vrijheid en gelijkheid.

    Naar de les over Stromingen over modernisering

  34. internationale organisatie

    Een samenwerkingsverband van staten, zoals de Verenigde Naties, de NAVO of de Europese Unie. Ze hebben alleen de macht die de lidstaten hun geven.

    Naar de les over Conflict en samenwerking tussen staten

  35. rechtsstaat

    Een staat waarin ook de overheid zich aan de wet moet houden en burgers rechten hebben die zij voor de rechter kunnen halen.

    Naar de les over Waarom verkiezingen ertoe doen

  36. micro-, meso- en macroniveau

    De drie schaalniveaus: tussen mensen, tussen organisaties, en in de samenleving als geheel. Een goed antwoord blijft niet op één niveau hangen.

    Naar de les over Macht, gezag en hypothesen

  37. segregatie

    Het gescheiden leven van groepen in wijken, scholen of verenigingen. Het hoeft niet bedoeld te zijn om toch te ontstaan.

    Naar de les over Ontwikkelingen en politieke binding

  38. gezag

    Macht die door de ander als terecht wordt gezien. Dezelfde handeling kan macht of gezag zijn; het verschil zit in de aanvaarding.

    Naar de les over Macht, gezag en hypothesen

  39. belangengroep

    Een groep die de belangen van haar leden wil behartigen, zoals een vakbond of een werkgeversorganisatie. Zij hebben vaak macht uit aantal of uit geld.

    Naar de les over Conflict en samenwerking tussen staten

  40. sociale ladder

    De rangorde van posities in de samenleving, meestal gemeten naar opleiding, beroep en inkomen. Wie van positie wisselt, maakt sociale mobiliteit door.

    Naar de les over Ongelijkheid tussen en binnen staten

  41. subcultuur

    Een groep binnen de samenleving met eigen waarden en gewoonten, die de hoofdlijnen van de cultuur verder deelt. Keert die groep zich er juist tegen, dan heet het een tegencultuur.

    Naar de les over Socialisatie die verschuift

  42. sociaalconstructivisme

    Een manier van kijken waarin de werkelijkheid ontstaat in hoe mensen er samen betekenis aan geven. Wat normaal heet, is dan het resultaat van een gedeeld beeld.

    Naar de les over Drie brillen op socialisatie

  43. socialiserende instituties

    De plekken waar socialisatie gebeurt: gezin, school, vriendengroep, werk, media, overheid. Bij een vraag benoem je welke institutie en wat die precies overdraagt.

    Naar de les over Socialisatie en identiteit

  44. ontzuiling

    Het uiteenvallen van de zuilen waarin katholieken, protestanten, socialisten en liberalen elk hun eigen school, krant en vereniging hadden. Een duidelijk voorbeeld van een ontwikkeling die de affectieve bindingen in de samenleving veranderde.

    Naar de les over Ontwikkelingen en affectieve binding

  45. sociale ongelijkheid

    Een ongelijke verdeling van schaarse zaken, waarbij die verdeling van generatie op generatie doorwerkt. Niet elk verschil is ongelijkheid; het gaat om structurele verschillen in kansen.

    Naar de les over Ongelijkheid tussen en binnen staten

  46. waarde

    Een opvatting over wat belangrijk of nastrevenswaardig is, zoals vrijheid of gelijkheid. Waarden zijn abstract; normen maken ze concreet.

    Naar de les over Socialisatie en identiteit

  47. affectieve binding

    Verbondenheid uit gevoel: familie, vrienden, een club waar je je thuis voelt.

    Naar de les over Sociale cohesie meten

  48. effect van beleid

    Wat beleid in de praktijk teweegbrengt, bedoeld en onbedoeld. Een maatregel kan zijn doel halen en tegelijk iets anders verergeren.

    Naar de les over Beleid bij een bindingsvraagstuk

  49. cultuuroverdracht

    Het doorgeven van waarden, normen en gewoonten aan een volgende generatie. Dat gaat deels bewust, bijvoorbeeld op school, en deels ongemerkt.

    Naar de les over Socialisatie en identiteit

  50. kiesdrempel

    De minimale steun die een partij nodig heeft voor een zetel. Nederland heeft die feitelijk alleen in de vorm van de kiesdeler.

    Naar de les over Twee kiesstelsels vergelijken

  51. structuurfunctionalisme

    Een manier van kijken waarin de samenleving een geheel is waarvan de delen elk een functie hebben. De nadruk ligt op stabiliteit en samenhang.

    Naar de les over Drie brillen op socialisatie

  52. rationele-actorbenadering

    Een manier van kijken waarin mensen en staten kiezen wat hun het meeste oplevert. Handig om onderhandelingen te verklaren, zwak waar gewoonte of emotie meespeelt.

    Naar de les over Drie brillen op socialisatie

  53. interdependentie

    Wederzijdse afhankelijkheid tussen staten. Hoe sterker die is, hoe duurder een conflict wordt en hoe meer reden er is om samen te werken.

    Naar de les over Conflict en samenwerking tussen staten

  54. evenredige vertegenwoordiging

    Een kiesstelsel waarin het aantal zetels overeenkomt met het aantal stemmen. Nederland werkt zo, en daarom zijn er veel partijen en coalities nodig.

    Naar de les over Twee kiesstelsels vergelijken

  55. validiteit

    Of een onderzoek meet wat het wil meten. Een vraag die stuurt naar een bepaald antwoord levert geen valide uitkomst op.

    Naar de les over Onderzoek beoordelen

  56. sociale mobiliteit

    Het veranderen van positie op de sociale ladder, omhoog of omlaag. Weinig mobiliteit betekent dat je afkomst je toekomst sterk bepaalt.

    Naar de les over Machtsverhoudingen die schuiven

  57. rol

    Het patroon van verwachtingen dat bij een positie hoort, zoals leerling, ouder of agent. Botsen twee rollen, dan spreek je van een rolconflict.

    Naar de les over Socialisatie en identiteit

  58. machtsbronnen van staten

    Waar de macht van een land op rust: militaire kracht, economie, grondstoffen, kennis en invloed op anderen. Een land kan op de ene bron sterk zijn en op de andere zwak.

    Naar de les over Macht, gezag en hypothesen

  59. sociale cohesie

    De mate waarin mensen zich met elkaar verbonden voelen en meedoen. Veel cohesie binnen een groep kan de afstand tot andere groepen juist vergroten.

    Naar de les over Sociale cohesie meten

  60. individualisering

    Het proces waarin mensen minder vastzitten aan vaste groepen en meer zelf kiezen. Dat geeft vrijheid en maakt binding tegelijk losser.

    Naar de les over Drie processen die het westen vormden

  61. politieke participatie

    Meedoen aan de politiek, van stemmen en lid worden tot demonstreren en een petitie tekenen. Je onderscheidt conventionele en niet-conventionele vormen.

    Naar de les over Meedoen in de politiek

  62. opkomst

    Het deel van de kiesgerechtigden dat gaat stemmen. Een lage opkomst in bepaalde groepen maakt de uitslag minder representatief.

    Naar de les over Wie gaat er stemmen

  63. maatschappelijk vraagstuk

    Een probleem dat veel mensen raakt, waarover verschillend gedacht wordt en waarvoor de overheid een rol krijgt toebedeeld. Dat onderscheidt het van een persoonlijk probleem.

    Naar de les over Een actualiteit onderzoeken

  64. feit, norm en mening

    Een feit is te controleren, een norm zegt wat hoort, een mening zegt wat iemand vindt. Haal ze uit elkaar voordat je een bron gebruikt.

    Naar de les over Van bron naar conclusie

  65. beschrijven, verklaren, beoordelen

    Drie dingen die een vraag van je kan vragen. Beschrijven is wat er is, verklaren is waardoor het komt, beoordelen is wat je ervan vindt met argumenten erbij.

    Naar de les over Concepten op een context leggen

  66. integratie

    Het proces waarin groepen gaan meedoen in de samenleving terwijl zij hun eigen kenmerken deels houden. Het is iets anders dan assimilatie, waarbij die kenmerken verdwijnen.

    Naar de les over Ontwikkelingen en politieke binding

  67. globalisering

    Het proces waarin landen economisch, politiek, cultureel en technisch steeds meer van elkaar afhankelijk worden. Benoem bij een vraag welke van de vier lagen het is.

    Naar de les over Staatsvorming, democratisering en globalisering

  68. betrouwbaarheid

    Of een onderzoek bij herhaling hetzelfde oplevert. Je verhoogt het met een grotere en zorgvuldiger getrokken steekproef.

    Naar de les over Onderzoek beoordelen

  69. cultuurdimensie

    Een schaal waarmee je culturen kunt vergelijken, bijvoorbeeld van individualistisch tot collectivistisch of de mate van machtsafstand. Ze beschrijven een cultuur, ze verklaren geen enkel individu.

    Naar de les over Socialisatie en identiteit

  70. machtenscheiding

    Het verdelen van wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht over verschillende organen, zodat ze elkaar in toom houden.

    Naar de les over Waarom verkiezingen ertoe doen

  71. ongewenst neveneffect

    Een gevolg van beleid dat niemand beoogde, zoals een regeling die juist de groep mist die hem het hardst nodig heeft.

    Naar de les over Verandering in een context

  72. norm

    Een concrete regel over hoe je je hoort te gedragen, die voortkomt uit een waarde. Uit de waarde respect volgt de norm dat je iemand laat uitpraten.

    Naar de les over Socialisatie en identiteit

  73. soevereiniteit

    Het recht van een staat om binnen zijn grenzen zelf te beslissen, zonder inmenging van anderen. Internationale samenwerking betekent altijd dat een land hier een stukje van inlevert.

    Naar de les over Ongelijkheid tussen en binnen staten

  74. machtsbron

    Waar iemands macht vandaan komt: geweld, geld, kennis, aantal of positie. Benoem bij een vraag altijd de bron en de afhankelijkheid die eruit volgt.

    Naar de les over Macht, gezag en hypothesen

  75. coalitie

    Een samenwerking van partijen die samen een meerderheid vormen en samen regeren. In een stelsel met evenredige vertegenwoordiging is dat bijna altijd nodig.

    Naar de les over Waarom verkiezingen ertoe doen

  76. socialisatie

    Het proces waarin je de regels, waarden en gewoonten van je omgeving leert, zodat je mee kunt doen. Het gaat je hele leven door, niet alleen in je jeugd.

    Naar de les over Socialisatie en identiteit

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 76 begrippen.

6 onderwerpen
4 onderwerpen
7 onderwerpen
3 onderwerpen
4 onderwerpen
4 onderwerpen
Begin opnieuw