Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

20 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. politieke binding

    Verbondenheid via meedoen aan het bestuur: stemmen, lid zijn, meepraten. Lage opkomst is een teken dat deze binding verzwakt.

    Naar de les over Meedoen in de politiek

  2. evenredige vertegenwoordiging

    Een kiesstelsel waarin het aantal zetels overeenkomt met het aantal stemmen. Nederland werkt zo, en daarom zijn er veel partijen en coalities nodig.

    Naar de les over Twee kiesstelsels vergelijken

  3. zwevende kiezer

    Iemand die per verkiezing opnieuw kiest en niet vastzit aan een partij. Het aantal zwevende kiezers is gegroeid door individualisering.

    Naar de les over Wie gaat er stemmen

  4. micro-, meso- en macroniveau

    De drie schaalniveaus: tussen mensen, tussen organisaties, en in de samenleving als geheel. Een goed antwoord blijft niet op één niveau hangen.

    Naar de les over Macht, gezag en hypothesen

  5. representatief onderzoek

    Onderzoek waarvan de deelnemers een goede afspiegeling zijn van de groep waar de conclusie over gaat.

    Naar de les over Onderzoek beoordelen

  6. democratisering

    Het proces waarin steeds meer mensen mogen meebeslissen over het bestuur, en het bestuur verantwoording moet afleggen.

    Naar de les over Staatsvorming, democratisering en globalisering

  7. hoofdconcept

    Een van de vier grote begrippen van dit vak: vorming, verhouding, binding en verandering. Elke examenvraag is terug te brengen tot een ervan.

    Naar de les over Concepten op het nieuws leggen

  8. ongewenst neveneffect

    Een gevolg van beleid dat niemand beoogde, zoals een regeling die juist de groep mist die hem het hardst nodig heeft.

    Naar de les over Verandering in een context

  9. rechtsstaat

    Een staat waarin ook de overheid zich aan de wet moet houden en burgers rechten hebben die zij voor de rechter kunnen halen.

    Naar de les over Waarom verkiezingen ertoe doen

  10. sociale institutie

    Een vast patroon van regels en gewoonten rond een maatschappelijke taak, zoals het onderwijs, het gezin of de rechtspraak. Instituties geven de samenleving haar vorm en veranderen langzaam.

    Naar de les over Machtsverhoudingen die schuiven

  11. belangengroep

    Een groep die de belangen van haar leden wil behartigen, zoals een vakbond of een werkgeversorganisatie. Zij hebben vaak macht uit aantal of uit geld.

    Naar de les over Conflict en samenwerking tussen staten

  12. sociale mobiliteit

    Het veranderen van positie op de sociale ladder, omhoog of omlaag. Weinig mobiliteit betekent dat je afkomst je toekomst sterk bepaalt.

    Naar de les over Machtsverhoudingen die schuiven

  13. betrouwbaarheid

    Of een onderzoek bij herhaling hetzelfde oplevert. Je verhoogt het met een grotere en zorgvuldiger getrokken steekproef.

    Naar de les over Onderzoek beoordelen

  14. overheidsbeleid

    Wat de overheid doet om een maatschappelijk probleem aan te pakken. Bij een vraag benoem je het instrument: wetgeving, geld, voorlichting of voorzieningen.

    Naar de les over Nederland in het krachtenveld

  15. cultuuroverdracht

    Het doorgeven van waarden, normen en gewoonten aan een volgende generatie. Dat gaat deels bewust, bijvoorbeeld op school, en deels ongemerkt.

    Naar de les over Socialisatie en identiteit

  16. actualiteit analyseren

    Een gebeurtenis uit het nieuws uit elkaar halen met hoofd- en kernconcepten: welk concept speelt hier, op welk niveau, en welke actoren hebben welk belang.

    Naar de les over Een actualiteit onderzoeken

  17. rationele-actorbenadering

    Een manier van kijken waarin mensen en staten kiezen wat hun het meeste oplevert. Handig om onderhandelingen te verklaren, zwak waar gewoonte of emotie meespeelt.

    Naar de les over Drie brillen op socialisatie

  18. individualisering

    Het proces waarin mensen minder vastzitten aan vaste groepen en meer zelf kiezen. Dat geeft vrijheid en maakt binding tegelijk losser.

    Naar de les over Drie processen die het westen vormden

  19. internationale organisatie

    Een samenwerkingsverband van staten, zoals de Verenigde Naties, de NAVO of de Europese Unie. Ze hebben alleen de macht die de lidstaten hun geven.

    Naar de les over Conflict en samenwerking tussen staten

  20. beleidsinstrument

    Het middel waarmee de overheid invloed uitoefent: wetgeving, geld, voorlichting of voorzieningen. Bij een beleidsvraag noem je het instrument, niet alleen het doel.

    Naar de les over De overheid als opvoeder

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 76 begrippen.

6 onderwerpen
4 onderwerpen
7 onderwerpen
3 onderwerpen
4 onderwerpen
4 onderwerpen
Begin opnieuw