Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
20 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
politieke binding
Verbondenheid via meedoen aan het bestuur: stemmen, lid zijn, meepraten. Lage opkomst is een teken dat deze binding verzwakt.
-
evenredige vertegenwoordiging
Een kiesstelsel waarin het aantal zetels overeenkomt met het aantal stemmen. Nederland werkt zo, en daarom zijn er veel partijen en coalities nodig.
-
zwevende kiezer
Iemand die per verkiezing opnieuw kiest en niet vastzit aan een partij. Het aantal zwevende kiezers is gegroeid door individualisering.
-
micro-, meso- en macroniveau
De drie schaalniveaus: tussen mensen, tussen organisaties, en in de samenleving als geheel. Een goed antwoord blijft niet op één niveau hangen.
-
representatief onderzoek
Onderzoek waarvan de deelnemers een goede afspiegeling zijn van de groep waar de conclusie over gaat.
-
democratisering
Het proces waarin steeds meer mensen mogen meebeslissen over het bestuur, en het bestuur verantwoording moet afleggen.
Naar de les over Staatsvorming, democratisering en globalisering
-
hoofdconcept
Een van de vier grote begrippen van dit vak: vorming, verhouding, binding en verandering. Elke examenvraag is terug te brengen tot een ervan.
-
ongewenst neveneffect
Een gevolg van beleid dat niemand beoogde, zoals een regeling die juist de groep mist die hem het hardst nodig heeft.
-
rechtsstaat
Een staat waarin ook de overheid zich aan de wet moet houden en burgers rechten hebben die zij voor de rechter kunnen halen.
-
sociale institutie
Een vast patroon van regels en gewoonten rond een maatschappelijke taak, zoals het onderwijs, het gezin of de rechtspraak. Instituties geven de samenleving haar vorm en veranderen langzaam.
-
belangengroep
Een groep die de belangen van haar leden wil behartigen, zoals een vakbond of een werkgeversorganisatie. Zij hebben vaak macht uit aantal of uit geld.
-
sociale mobiliteit
Het veranderen van positie op de sociale ladder, omhoog of omlaag. Weinig mobiliteit betekent dat je afkomst je toekomst sterk bepaalt.
-
betrouwbaarheid
Of een onderzoek bij herhaling hetzelfde oplevert. Je verhoogt het met een grotere en zorgvuldiger getrokken steekproef.
-
overheidsbeleid
Wat de overheid doet om een maatschappelijk probleem aan te pakken. Bij een vraag benoem je het instrument: wetgeving, geld, voorlichting of voorzieningen.
-
cultuuroverdracht
Het doorgeven van waarden, normen en gewoonten aan een volgende generatie. Dat gaat deels bewust, bijvoorbeeld op school, en deels ongemerkt.
-
actualiteit analyseren
Een gebeurtenis uit het nieuws uit elkaar halen met hoofd- en kernconcepten: welk concept speelt hier, op welk niveau, en welke actoren hebben welk belang.
-
rationele-actorbenadering
Een manier van kijken waarin mensen en staten kiezen wat hun het meeste oplevert. Handig om onderhandelingen te verklaren, zwak waar gewoonte of emotie meespeelt.
-
individualisering
Het proces waarin mensen minder vastzitten aan vaste groepen en meer zelf kiezen. Dat geeft vrijheid en maakt binding tegelijk losser.
-
internationale organisatie
Een samenwerkingsverband van staten, zoals de Verenigde Naties, de NAVO of de Europese Unie. Ze hebben alleen de macht die de lidstaten hun geven.
-
beleidsinstrument
Het middel waarmee de overheid invloed uitoefent: wetgeving, geld, voorlichting of voorzieningen. Bij een beleidsvraag noem je het instrument, niet alleen het doel.