Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

40 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. modernisering

    De verzamelnaam voor de veranderingen die een samenleving moderner maken: rationeler, individueler en meer georganiseerd. Politieke stromingen verschillen juist in hun oordeel hierover.

    Naar de les over Stromingen over modernisering

  2. maatschappelijk conflict

    Een botsing van belangen tussen groepen. Je beschrijft oorzaak, partijen, machtsmiddelen en de manier waarop het wordt beslecht.

    Naar de les over Conflict en samenwerking tussen staten

  3. effect van beleid

    Wat beleid in de praktijk teweegbrengt, bedoeld en onbedoeld. Een maatregel kan zijn doel halen en tegelijk iets anders verergeren.

    Naar de les over Beleid bij een bindingsvraagstuk

  4. sociaalconstructivisme

    Een manier van kijken waarin de werkelijkheid ontstaat in hoe mensen er samen betekenis aan geven. Wat normaal heet, is dan het resultaat van een gedeeld beeld.

    Naar de les over Drie brillen op socialisatie

  5. sociale cohesie

    De mate waarin mensen zich met elkaar verbonden voelen en meedoen. Veel cohesie binnen een groep kan de afstand tot andere groepen juist vergroten.

    Naar de les over Sociale cohesie meten

  6. kernconcept

    Een begrip dat onder een hoofdconcept valt, zoals socialisatie onder vorming. In een antwoord noem je het kernconcept en past het daarna toe op de bron.

    Naar de les over Concepten op het nieuws leggen

  7. segregatie

    Het gescheiden leven van groepen in wijken, scholen of verenigingen. Het hoeft niet bedoeld te zijn om toch te ontstaan.

    Naar de les over Ontwikkelingen en politieke binding

  8. conflictbenadering

    Een manier van kijken waarin de samenleving draait om botsende belangen en ongelijke macht. De nadruk ligt op verandering en strijd.

    Naar de les over Drie brillen op socialisatie

  9. overheidsbeleid

    Wat de overheid doet om een maatschappelijk probleem aan te pakken. Bij een vraag benoem je het instrument: wetgeving, geld, voorlichting of voorzieningen.

    Naar de les over Nederland in het krachtenveld

  10. polarisatie

    Het uit elkaar groeien van groepen, waarbij de tegenstelling scherper wordt en de ruimte in het midden kleiner.

    Naar de les over Ontwikkelingen en politieke binding

  11. soevereiniteit

    Het recht van een staat om binnen zijn grenzen zelf te beslissen, zonder inmenging van anderen. Internationale samenwerking betekent altijd dat een land hier een stukje van inlevert.

    Naar de les over Ongelijkheid tussen en binnen staten

  12. waarde

    Een opvatting over wat belangrijk of nastrevenswaardig is, zoals vrijheid of gelijkheid. Waarden zijn abstract; normen maken ze concreet.

    Naar de les over Socialisatie en identiteit

  13. internationale organisatie

    Een samenwerkingsverband van staten, zoals de Verenigde Naties, de NAVO of de Europese Unie. Ze hebben alleen de macht die de lidstaten hun geven.

    Naar de les over Conflict en samenwerking tussen staten

  14. beschrijven, verklaren, beoordelen

    Drie dingen die een vraag van je kan vragen. Beschrijven is wat er is, verklaren is waardoor het komt, beoordelen is wat je ervan vindt met argumenten erbij.

    Naar de les over Concepten op een context leggen

  15. ongewenst neveneffect

    Een gevolg van beleid dat niemand beoogde, zoals een regeling die juist de groep mist die hem het hardst nodig heeft.

    Naar de les over Verandering in een context

  16. binding

    De manier waarop iemand met de samenleving verbonden is. Je onderscheidt affectieve, economische, cognitieve en politieke bindingen.

    Naar de les over Sociale cohesie meten

  17. representativiteit

    De vraag of de vertegenwoordigers een goede afspiegeling zijn van de bevolking. Een parlement kan representatief zijn in standpunten en toch niet in samenstelling.

    Naar de les over Instituties en representativiteit

  18. micro-, meso- en macroniveau

    De drie schaalniveaus: tussen mensen, tussen organisaties, en in de samenleving als geheel. Een goed antwoord blijft niet op één niveau hangen.

    Naar de les over Macht, gezag en hypothesen

  19. rechtsstaat

    Een staat waarin ook de overheid zich aan de wet moet houden en burgers rechten hebben die zij voor de rechter kunnen halen.

    Naar de les over Waarom verkiezingen ertoe doen

  20. cultuuroverdracht

    Het doorgeven van waarden, normen en gewoonten aan een volgende generatie. Dat gaat deels bewust, bijvoorbeeld op school, en deels ongemerkt.

    Naar de les over Socialisatie en identiteit

  21. internationale betrekkingen

    De verhoudingen tussen staten: samenwerking, concurrentie en conflict. Je analyseert ze met dezelfde begrippen als binnenlandse verhoudingen, maar zonder overheid die boven de partijen staat.

    Naar de les over Ongelijkheid tussen en binnen staten

  22. zwevende kiezer

    Iemand die per verkiezing opnieuw kiest en niet vastzit aan een partij. Het aantal zwevende kiezers is gegroeid door individualisering.

    Naar de les over Wie gaat er stemmen

  23. hoofdconcept

    Een van de vier grote begrippen van dit vak: vorming, verhouding, binding en verandering. Elke examenvraag is terug te brengen tot een ervan.

    Naar de les over Concepten op het nieuws leggen

  24. sociale mobiliteit

    Het veranderen van positie op de sociale ladder, omhoog of omlaag. Weinig mobiliteit betekent dat je afkomst je toekomst sterk bepaalt.

    Naar de les over Machtsverhoudingen die schuiven

  25. politieke socialisatie

    Hoe je je politieke opvattingen opdoet: thuis, op school, via media en in je vriendenkring. Daarom lijken de opvattingen binnen een gezin vaak op elkaar.

    Naar de les over Politieke socialisatie en ideologie

  26. opkomst

    Het deel van de kiesgerechtigden dat gaat stemmen. Een lage opkomst in bepaalde groepen maakt de uitslag minder representatief.

    Naar de les over Wie gaat er stemmen

  27. integratie

    Het proces waarin groepen gaan meedoen in de samenleving terwijl zij hun eigen kenmerken deels houden. Het is iets anders dan assimilatie, waarbij die kenmerken verdwijnen.

    Naar de les over Ontwikkelingen en politieke binding

  28. machtsbron

    Waar iemands macht vandaan komt: geweld, geld, kennis, aantal of positie. Benoem bij een vraag altijd de bron en de afhankelijkheid die eruit volgt.

    Naar de les over Macht, gezag en hypothesen

  29. cognitieve binding

    Verbondenheid via taal, kennis en gedeelde informatie. Zonder gedeelde taal valt meedoen zwaar.

    Naar de les over Sociale cohesie meten

  30. individualisering

    Het proces waarin mensen minder vastzitten aan vaste groepen en meer zelf kiezen. Dat geeft vrijheid en maakt binding tegelijk losser.

    Naar de les over Drie processen die het westen vormden

  31. sociale ladder

    De rangorde van posities in de samenleving, meestal gemeten naar opleiding, beroep en inkomen. Wie van positie wisselt, maakt sociale mobiliteit door.

    Naar de les over Ongelijkheid tussen en binnen staten

  32. cultuurdimensie

    Een schaal waarmee je culturen kunt vergelijken, bijvoorbeeld van individualistisch tot collectivistisch of de mate van machtsafstand. Ze beschrijven een cultuur, ze verklaren geen enkel individu.

    Naar de les over Socialisatie en identiteit

  33. subcultuur

    Een groep binnen de samenleving met eigen waarden en gewoonten, die de hoofdlijnen van de cultuur verder deelt. Keert die groep zich er juist tegen, dan heet het een tegencultuur.

    Naar de les over Socialisatie die verschuift

  34. validiteit

    Of een onderzoek meet wat het wil meten. Een vraag die stuurt naar een bepaald antwoord levert geen valide uitkomst op.

    Naar de les over Onderzoek beoordelen

  35. confessionalisme

    De stroming die uitgaat van een geloofsovertuiging en van samenwerking tussen groepen, met de nadruk op verantwoordelijkheid voor elkaar.

    Naar de les over Stromingen over modernisering

  36. interdependentie

    Wederzijdse afhankelijkheid tussen staten. Hoe sterker die is, hoe duurder een conflict wordt en hoe meer reden er is om samen te werken.

    Naar de les over Conflict en samenwerking tussen staten

  37. democratisering

    Het proces waarin steeds meer mensen mogen meebeslissen over het bestuur, en het bestuur verantwoording moet afleggen.

    Naar de les over Staatsvorming, democratisering en globalisering

  38. evenredige vertegenwoordiging

    Een kiesstelsel waarin het aantal zetels overeenkomt met het aantal stemmen. Nederland werkt zo, en daarom zijn er veel partijen en coalities nodig.

    Naar de les over Twee kiesstelsels vergelijken

  39. macht

    Je wil kunnen doorzetten, ook als anderen dat niet willen. Macht zit niet in een persoon maar in een verhouding: hoe afhankelijk is de ander van jou?

    Naar de les over Macht, gezag en hypothesen

  40. sociale institutie

    Een vast patroon van regels en gewoonten rond een maatschappelijke taak, zoals het onderwijs, het gezin of de rechtspraak. Instituties geven de samenleving haar vorm en veranderen langzaam.

    Naar de les over Machtsverhoudingen die schuiven

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 76 begrippen.

6 onderwerpen
4 onderwerpen
7 onderwerpen
3 onderwerpen
4 onderwerpen
4 onderwerpen
Begin opnieuw