Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

20 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. feit, norm en mening

    Een feit is te controleren, een norm zegt wat hoort, een mening zegt wat iemand vindt. Haal ze uit elkaar voordat je een bron gebruikt.

    Naar de les over Van bron naar conclusie

  2. micro-, meso- en macroniveau

    De drie schaalniveaus: tussen mensen, tussen organisaties, en in de samenleving als geheel. Een goed antwoord blijft niet op één niveau hangen.

    Naar de les over Macht, gezag en hypothesen

  3. zwevende kiezer

    Iemand die per verkiezing opnieuw kiest en niet vastzit aan een partij. Het aantal zwevende kiezers is gegroeid door individualisering.

    Naar de les over Wie gaat er stemmen

  4. hoofdconcept

    Een van de vier grote begrippen van dit vak: vorming, verhouding, binding en verandering. Elke examenvraag is terug te brengen tot een ervan.

    Naar de les over Concepten op het nieuws leggen

  5. coalitie

    Een samenwerking van partijen die samen een meerderheid vormen en samen regeren. In een stelsel met evenredige vertegenwoordiging is dat bijna altijd nodig.

    Naar de les over Waarom verkiezingen ertoe doen

  6. binding

    De manier waarop iemand met de samenleving verbonden is. Je onderscheidt affectieve, economische, cognitieve en politieke bindingen.

    Naar de les over Sociale cohesie meten

  7. cultuuroverdracht

    Het doorgeven van waarden, normen en gewoonten aan een volgende generatie. Dat gaat deels bewust, bijvoorbeeld op school, en deels ongemerkt.

    Naar de les over Socialisatie en identiteit

  8. socialisme

    De stroming die gelijkheid vooropstelt: de overheid herverdeelt en beschermt wie in een zwakke positie zit.

    Naar de les over Stromingen over modernisering

  9. structuurfunctionalisme

    Een manier van kijken waarin de samenleving een geheel is waarvan de delen elk een functie hebben. De nadruk ligt op stabiliteit en samenhang.

    Naar de les over Drie brillen op socialisatie

  10. socialiserende instituties

    De plekken waar socialisatie gebeurt: gezin, school, vriendengroep, werk, media, overheid. Bij een vraag benoem je welke institutie en wat die precies overdraagt.

    Naar de les over Socialisatie en identiteit

  11. sanctie

    Een reactie op gedrag die een norm bekrachtigt. Dat kan een straf zijn, maar een compliment is net zo goed een sanctie.

    Naar de les over Socialisatie en identiteit

  12. economische binding

    Verbondenheid via werk, inkomen en bestedingen. Wie buiten de arbeidsmarkt valt, verliest ook een stuk binding.

    Naar de les over Sociale cohesie meten

  13. confessionalisme

    De stroming die uitgaat van een geloofsovertuiging en van samenwerking tussen groepen, met de nadruk op verantwoordelijkheid voor elkaar.

    Naar de les over Stromingen over modernisering

  14. politieke binding

    Verbondenheid via meedoen aan het bestuur: stemmen, lid zijn, meepraten. Lage opkomst is een teken dat deze binding verzwakt.

    Naar de les over Meedoen in de politiek

  15. maatschappelijk conflict

    Een botsing van belangen tussen groepen. Je beschrijft oorzaak, partijen, machtsmiddelen en de manier waarop het wordt beslecht.

    Naar de les over Conflict en samenwerking tussen staten

  16. politieke stroming

    Een samenhangende manier van kijken naar de samenleving, zoals liberalisme, socialisme en confessionalisme. Elke stroming legt een eigen verhouding tussen vrijheid en gelijkheid.

    Naar de les over Stromingen over modernisering

  17. beleidsinstrument

    Het middel waarmee de overheid invloed uitoefent: wetgeving, geld, voorlichting of voorzieningen. Bij een beleidsvraag noem je het instrument, niet alleen het doel.

    Naar de les over De overheid als opvoeder

  18. ontzuiling

    Het uiteenvallen van de zuilen waarin katholieken, protestanten, socialisten en liberalen elk hun eigen school, krant en vereniging hadden. Een duidelijk voorbeeld van een ontwikkeling die de affectieve bindingen in de samenleving veranderde.

    Naar de les over Ontwikkelingen en affectieve binding

  19. internationale organisatie

    Een samenwerkingsverband van staten, zoals de Verenigde Naties, de NAVO of de Europese Unie. Ze hebben alleen de macht die de lidstaten hun geven.

    Naar de les over Conflict en samenwerking tussen staten

  20. macht

    Je wil kunnen doorzetten, ook als anderen dat niet willen. Macht zit niet in een persoon maar in een verhouding: hoe afhankelijk is de ander van jou?

    Naar de les over Macht, gezag en hypothesen

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 76 begrippen.

6 onderwerpen
4 onderwerpen
7 onderwerpen
3 onderwerpen
4 onderwerpen
4 onderwerpen
Begin opnieuw