Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
20 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
feit, norm en mening
Een feit is te controleren, een norm zegt wat hoort, een mening zegt wat iemand vindt. Haal ze uit elkaar voordat je een bron gebruikt.
-
micro-, meso- en macroniveau
De drie schaalniveaus: tussen mensen, tussen organisaties, en in de samenleving als geheel. Een goed antwoord blijft niet op één niveau hangen.
-
zwevende kiezer
Iemand die per verkiezing opnieuw kiest en niet vastzit aan een partij. Het aantal zwevende kiezers is gegroeid door individualisering.
-
hoofdconcept
Een van de vier grote begrippen van dit vak: vorming, verhouding, binding en verandering. Elke examenvraag is terug te brengen tot een ervan.
-
coalitie
Een samenwerking van partijen die samen een meerderheid vormen en samen regeren. In een stelsel met evenredige vertegenwoordiging is dat bijna altijd nodig.
-
binding
De manier waarop iemand met de samenleving verbonden is. Je onderscheidt affectieve, economische, cognitieve en politieke bindingen.
-
cultuuroverdracht
Het doorgeven van waarden, normen en gewoonten aan een volgende generatie. Dat gaat deels bewust, bijvoorbeeld op school, en deels ongemerkt.
-
socialisme
De stroming die gelijkheid vooropstelt: de overheid herverdeelt en beschermt wie in een zwakke positie zit.
-
structuurfunctionalisme
Een manier van kijken waarin de samenleving een geheel is waarvan de delen elk een functie hebben. De nadruk ligt op stabiliteit en samenhang.
-
socialiserende instituties
De plekken waar socialisatie gebeurt: gezin, school, vriendengroep, werk, media, overheid. Bij een vraag benoem je welke institutie en wat die precies overdraagt.
-
sanctie
Een reactie op gedrag die een norm bekrachtigt. Dat kan een straf zijn, maar een compliment is net zo goed een sanctie.
-
economische binding
Verbondenheid via werk, inkomen en bestedingen. Wie buiten de arbeidsmarkt valt, verliest ook een stuk binding.
-
confessionalisme
De stroming die uitgaat van een geloofsovertuiging en van samenwerking tussen groepen, met de nadruk op verantwoordelijkheid voor elkaar.
-
politieke binding
Verbondenheid via meedoen aan het bestuur: stemmen, lid zijn, meepraten. Lage opkomst is een teken dat deze binding verzwakt.
-
maatschappelijk conflict
Een botsing van belangen tussen groepen. Je beschrijft oorzaak, partijen, machtsmiddelen en de manier waarop het wordt beslecht.
-
politieke stroming
Een samenhangende manier van kijken naar de samenleving, zoals liberalisme, socialisme en confessionalisme. Elke stroming legt een eigen verhouding tussen vrijheid en gelijkheid.
-
beleidsinstrument
Het middel waarmee de overheid invloed uitoefent: wetgeving, geld, voorlichting of voorzieningen. Bij een beleidsvraag noem je het instrument, niet alleen het doel.
-
ontzuiling
Het uiteenvallen van de zuilen waarin katholieken, protestanten, socialisten en liberalen elk hun eigen school, krant en vereniging hadden. Een duidelijk voorbeeld van een ontwikkeling die de affectieve bindingen in de samenleving veranderde.
-
internationale organisatie
Een samenwerkingsverband van staten, zoals de Verenigde Naties, de NAVO of de Europese Unie. Ze hebben alleen de macht die de lidstaten hun geven.
-
macht
Je wil kunnen doorzetten, ook als anderen dat niet willen. Macht zit niet in een persoon maar in een verhouding: hoe afhankelijk is de ander van jou?