Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
52 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
rente
De vergoeding voor het uitlenen van geld of voor het uitstellen van consumptie.
-
brutoloon
Het loon voor aftrek van loonheffing en premies.
-
koopkracht
Wat je met je inkomen kunt kopen, dus je inkomen gecorrigeerd voor de prijzen.
-
loonheffing
Belasting en premies die de werkgever inhoudt op je loon en afdraagt.
-
interne markt
De markt van de EU waarin goederen, diensten, mensen en geld vrij over de grens gaan.
-
constante kosten
Kosten die gelijk blijven hoeveel er ook wordt geproduceerd.
-
sociale verzekeringen
Verzekeringen die uit premies worden betaald en recht geven op een uitkering.
-
begrotingstekort
Een begrotingssaldo waarbij de uitgaven groter zijn dan de ontvangsten.
-
aanbod
De hoeveelheid die aanbieders samen willen verkopen bij een bepaalde prijs.
-
zelfstandige zonder personeel
Iemand die voor eigen rekening werkt en zelf zijn verzekeringen en pensioen regelt.
-
bedrijfskolom
De reeks bedrijven van grondstof tot winkel waar een product doorheen gaat.
-
indirecte belasting
Belasting die in de prijs van een product zit, zoals btw en accijns.
-
nettoloon
Het loon dat na aftrek van loonheffing en premies op je rekening komt.
-
break-evenafzet
Het aantal stuks waarbij de totale opbrengsten gelijk zijn aan de totale kosten.
-
arbeidsmarkt
De markt waarop arbeid wordt gevraagd en aangeboden, met het loon als prijs.
-
werkloosheid
Dat iemand werk zoekt en beschikbaar is maar geen baan heeft.
-
sociale voorzieningen
Regelingen die uit belastinggeld worden betaald, zoals de bijstand.
-
nv
Een naamloze vennootschap, een rechtspersoon waarvan de aandelen vrij verhandelbaar zijn.
-
hypotheek
Een lening voor een woning, met het huis als onderpand.
-
import
Goederen en diensten die uit het buitenland worden gekocht.
-
directe belasting
Belasting die je zelf betaalt over je inkomen of winst.
-
arbeidsproductiviteit
De productie per werknemer of per gewerkt uur.
-
spaarmiddel
De functie van geld waarmee je waarde kunt bewaren voor later.
-
behoeften
Wat mensen willen hebben of doen, waarvoor beperkte middelen beschikbaar zijn.
-
rekenmiddel
De functie van geld waarmee je prijzen kunt vergelijken.
-
samengestelde rente
Rente die ook over eerder bijgeschreven rente wordt berekend.
-
volkomen concurrentie
Een markt met veel aanbieders, een homogeen goed en vrije toetreding.
-
toegevoegde waarde
De omzet min de waarde van wat is ingekocht.
-
staatsschuld
Het totaal van alle openstaande schulden van de overheid op een moment.
-
open economie
Een economie met veel in- en uitvoer ten opzichte van haar omvang.
-
eenmanszaak
Een bedrijf met één eigenaar, die ook met zijn privévermogen aansprakelijk is.
-
accijns
Een belasting op een bepaald product, zoals benzine, alcohol of tabak.
-
eigen risico
Het bedrag dat je bij schade zelf betaalt voordat de verzekering uitkeert.
-
verzekering
Een afspraak waarbij je premie betaalt en de verzekeraar de schade vergoedt.
-
nominale loon
Het loon in euros, zonder correctie voor de prijzen.
-
vraag
De hoeveelheid die vragers samen willen kopen bij een bepaalde prijs.
-
collectieve voorzieningen
Voorzieningen waarvan niemand kan worden uitgesloten, zoals dijken en straatverlichting.
-
cao
Een collectieve arbeidsovereenkomst, met afspraken over loon, werktijden en verlof voor een hele bedrijfstak.
-
prijscompensatie
Een loonsverhoging die precies gelijk is aan de inflatie.
-
bv
Een besloten vennootschap, een rechtspersoon waarbij het privévermogen van de eigenaar buiten schot blijft.
-
export
Goederen en diensten die naar het buitenland worden verkocht.
-
btw
Belasting over de toegevoegde waarde, die in de prijs van een product zit.
-
beroepsbevolking
Iedereen die werkt of werk zoekt en beschikbaar is.