Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

52 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. totale kosten

    De constante kosten plus de variabele kosten.

    Naar de les over Kosten van een bedrijf

  2. rente

    De vergoeding voor het uitlenen van geld of voor het uitstellen van consumptie.

    Naar de les over Sparen en rente

  3. ruilmiddel

    De functie van geld waarmee je kunt betalen.

    Naar de les over De functies van geld

  4. brutoloon

    Het loon voor aftrek van loonheffing en premies.

    Naar de les over De loonstrook en je nettoloon

  5. koopkracht

    Wat je met je inkomen kunt kopen, dus je inkomen gecorrigeerd voor de prijzen.

    Naar de les over Inflatie en koopkracht

  6. loonheffing

    Belasting en premies die de werkgever inhoudt op je loon en afdraagt.

    Naar de les over De loonstrook en je nettoloon

  7. interne markt

    De markt van de EU waarin goederen, diensten, mensen en geld vrij over de grens gaan.

    Naar de les over De Europese Unie

  8. inflatie

    Een stijging van het algemene prijspeil.

    Naar de les over Inflatie en koopkracht

  9. bbp per hoofd

    Het bbp gedeeld door het aantal inwoners.

    Naar de les over Arm en rijk in de wereld

  10. constante kosten

    Kosten die gelijk blijven hoeveel er ook wordt geproduceerd.

    Naar de les over Kosten van een bedrijf

  11. sociale verzekeringen

    Verzekeringen die uit premies worden betaald en recht geven op een uitkering.

    Naar de les over Sociale zekerheid

  12. begrotingstekort

    Een begrotingssaldo waarbij de uitgaven groter zijn dan de ontvangsten.

    Naar de les over De begroting en de staatsschuld

  13. aanbod

    De hoeveelheid die aanbieders samen willen verkopen bij een bepaalde prijs.

    Naar de les over Vraag, aanbod en de prijs

  14. monopolie

    Een markt met één aanbieder.

    Naar de les over Marktvormen en concurrentie

  15. zelfstandige zonder personeel

    Iemand die voor eigen rekening werkt en zelf zijn verzekeringen en pensioen regelt.

    Naar de les over Zelfstandig ondernemer of werknemer

  16. bedrijfskolom

    De reeks bedrijven van grondstof tot winkel waar een product doorheen gaat.

    Naar de les over Toegevoegde waarde en de bedrijfskolom

  17. indirecte belasting

    Belasting die in de prijs van een product zit, zoals btw en accijns.

    Naar de les over Belastingen en premies

  18. nettoloon

    Het loon dat na aftrek van loonheffing en premies op je rekening komt.

    Naar de les over De loonstrook en je nettoloon

  19. break-evenafzet

    Het aantal stuks waarbij de totale opbrengsten gelijk zijn aan de totale kosten.

    Naar de les over Omzet, winst en break-even

  20. arbeidsmarkt

    De markt waarop arbeid wordt gevraagd en aangeboden, met het loon als prijs.

    Naar de les over Werken en de arbeidsmarkt

  21. werkloosheid

    Dat iemand werk zoekt en beschikbaar is maar geen baan heeft.

    Naar de les over Werkloosheid en arbeidsproductiviteit

  22. sociale voorzieningen

    Regelingen die uit belastinggeld worden betaald, zoals de bijstand.

    Naar de les over Sociale zekerheid

  23. nv

    Een naamloze vennootschap, een rechtspersoon waarvan de aandelen vrij verhandelbaar zijn.

    Naar de les over Rechtsvormen van een bedrijf

  24. hypotheek

    Een lening voor een woning, met het huis als onderpand.

    Naar de les over Een huis kopen of huren

  25. import

    Goederen en diensten die uit het buitenland worden gekocht.

    Naar de les over Nederland als open economie

  26. directe belasting

    Belasting die je zelf betaalt over je inkomen of winst.

    Naar de les over Belastingen en premies

  27. arbeidsproductiviteit

    De productie per werknemer of per gewerkt uur.

    Naar de les over Werkloosheid en arbeidsproductiviteit

  28. spaarmiddel

    De functie van geld waarmee je waarde kunt bewaren voor later.

    Naar de les over De functies van geld

  29. behoeften

    Wat mensen willen hebben of doen, waarvoor beperkte middelen beschikbaar zijn.

    Naar de les over Keuzes maken en behoeften

  30. rekenmiddel

    De functie van geld waarmee je prijzen kunt vergelijken.

    Naar de les over De functies van geld

  31. samengestelde rente

    Rente die ook over eerder bijgeschreven rente wordt berekend.

    Naar de les over Sparen en rente

  32. volkomen concurrentie

    Een markt met veel aanbieders, een homogeen goed en vrije toetreding.

    Naar de les over Marktvormen en concurrentie

  33. toegevoegde waarde

    De omzet min de waarde van wat is ingekocht.

    Naar de les over Toegevoegde waarde en de bedrijfskolom

  34. staatsschuld

    Het totaal van alle openstaande schulden van de overheid op een moment.

    Naar de les over De begroting en de staatsschuld

  35. open economie

    Een economie met veel in- en uitvoer ten opzichte van haar omvang.

    Naar de les over Nederland als open economie

  36. eenmanszaak

    Een bedrijf met één eigenaar, die ook met zijn privévermogen aansprakelijk is.

    Naar de les over Rechtsvormen van een bedrijf

  37. omzet

    De prijs maal het aantal verkochte eenheden.

    Naar de les over Omzet, winst en break-even

  38. accijns

    Een belasting op een bepaald product, zoals benzine, alcohol of tabak.

    Naar de les over Belastingen en premies

  39. eigen risico

    Het bedrag dat je bij schade zelf betaalt voordat de verzekering uitkeert.

    Naar de les over Verzekeringen

  40. verzekering

    Een afspraak waarbij je premie betaalt en de verzekeraar de schade vergoedt.

    Naar de les over Verzekeringen

  41. nominale loon

    Het loon in euros, zonder correctie voor de prijzen.

    Naar de les over Inflatie en koopkracht

  42. reële loon

    Het loon uitgedrukt in wat je ervoor kunt kopen.

    Naar de les over Inflatie en koopkracht

  43. vraag

    De hoeveelheid die vragers samen willen kopen bij een bepaalde prijs.

    Naar de les over Vraag, aanbod en de prijs

  44. collectieve voorzieningen

    Voorzieningen waarvan niemand kan worden uitgesloten, zoals dijken en straatverlichting.

    Naar de les over Wat de overheid doet

  45. cao

    Een collectieve arbeidsovereenkomst, met afspraken over loon, werktijden en verlof voor een hele bedrijfstak.

    Naar de les over Werken en de arbeidsmarkt

  46. prijscompensatie

    Een loonsverhoging die precies gelijk is aan de inflatie.

    Naar de les over Inflatie en koopkracht

  47. bv

    Een besloten vennootschap, een rechtspersoon waarbij het privévermogen van de eigenaar buiten schot blijft.

    Naar de les over Rechtsvormen van een bedrijf

  48. export

    Goederen en diensten die naar het buitenland worden verkocht.

    Naar de les over Nederland als open economie

  49. btw

    Belasting over de toegevoegde waarde, die in de prijs van een product zit.

    Naar de les over Belastingen en premies

  50. beroepsbevolking

    Iedereen die werkt of werk zoekt en beschikbaar is.

    Naar de les over Werken en de arbeidsmarkt

  51. variabele kosten

    Kosten die meegroeien met de productie.

    Naar de les over Kosten van een bedrijf

  52. premie

    Het bedrag dat je periodiek betaalt voor een verzekering.

    Naar de les over Verzekeringen

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 52 begrippen.

10 onderwerpen
5 onderwerpen
3 onderwerpen
5 onderwerpen
Begin opnieuw