Naar de inhoud
Inloggen

Begrippenlijst

Begrippen stampen

Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.

Rondje van 10 20 40 alles

40 begrippen in deze stapel

Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.

  1. werkloosheid

    Dat iemand werk zoekt en beschikbaar is maar geen baan heeft.

    Naar de les over Werkloosheid en arbeidsproductiviteit

  2. bedrijfskolom

    De reeks bedrijven van grondstof tot winkel waar een product doorheen gaat.

    Naar de les over Toegevoegde waarde en de bedrijfskolom

  3. staatsschuld

    Het totaal van alle openstaande schulden van de overheid op een moment.

    Naar de les over De begroting en de staatsschuld

  4. rekenmiddel

    De functie van geld waarmee je prijzen kunt vergelijken.

    Naar de les over De functies van geld

  5. inflatie

    Een stijging van het algemene prijspeil.

    Naar de les over Inflatie en koopkracht

  6. behoeften

    Wat mensen willen hebben of doen, waarvoor beperkte middelen beschikbaar zijn.

    Naar de les over Keuzes maken en behoeften

  7. import

    Goederen en diensten die uit het buitenland worden gekocht.

    Naar de les over Nederland als open economie

  8. koopkracht

    Wat je met je inkomen kunt kopen, dus je inkomen gecorrigeerd voor de prijzen.

    Naar de les over Inflatie en koopkracht

  9. toegevoegde waarde

    De omzet min de waarde van wat is ingekocht.

    Naar de les over Toegevoegde waarde en de bedrijfskolom

  10. spaarmiddel

    De functie van geld waarmee je waarde kunt bewaren voor later.

    Naar de les over De functies van geld

  11. open economie

    Een economie met veel in- en uitvoer ten opzichte van haar omvang.

    Naar de les over Nederland als open economie

  12. volkomen concurrentie

    Een markt met veel aanbieders, een homogeen goed en vrije toetreding.

    Naar de les over Marktvormen en concurrentie

  13. interne markt

    De markt van de EU waarin goederen, diensten, mensen en geld vrij over de grens gaan.

    Naar de les over De Europese Unie

  14. premie

    Het bedrag dat je periodiek betaalt voor een verzekering.

    Naar de les over Verzekeringen

  15. eigen risico

    Het bedrag dat je bij schade zelf betaalt voordat de verzekering uitkeert.

    Naar de les over Verzekeringen

  16. collectieve voorzieningen

    Voorzieningen waarvan niemand kan worden uitgesloten, zoals dijken en straatverlichting.

    Naar de les over Wat de overheid doet

  17. reële loon

    Het loon uitgedrukt in wat je ervoor kunt kopen.

    Naar de les over Inflatie en koopkracht

  18. totale kosten

    De constante kosten plus de variabele kosten.

    Naar de les over Kosten van een bedrijf

  19. begrotingstekort

    Een begrotingssaldo waarbij de uitgaven groter zijn dan de ontvangsten.

    Naar de les over De begroting en de staatsschuld

  20. samengestelde rente

    Rente die ook over eerder bijgeschreven rente wordt berekend.

    Naar de les over Sparen en rente

  21. arbeidsmarkt

    De markt waarop arbeid wordt gevraagd en aangeboden, met het loon als prijs.

    Naar de les over Werken en de arbeidsmarkt

  22. rente

    De vergoeding voor het uitlenen van geld of voor het uitstellen van consumptie.

    Naar de les over Sparen en rente

  23. nettoloon

    Het loon dat na aftrek van loonheffing en premies op je rekening komt.

    Naar de les over De loonstrook en je nettoloon

  24. monopolie

    Een markt met één aanbieder.

    Naar de les over Marktvormen en concurrentie

  25. omzet

    De prijs maal het aantal verkochte eenheden.

    Naar de les over Omzet, winst en break-even

  26. constante kosten

    Kosten die gelijk blijven hoeveel er ook wordt geproduceerd.

    Naar de les over Kosten van een bedrijf

  27. variabele kosten

    Kosten die meegroeien met de productie.

    Naar de les over Kosten van een bedrijf

  28. prijscompensatie

    Een loonsverhoging die precies gelijk is aan de inflatie.

    Naar de les over Inflatie en koopkracht

  29. accijns

    Een belasting op een bepaald product, zoals benzine, alcohol of tabak.

    Naar de les over Belastingen en premies

  30. sociale verzekeringen

    Verzekeringen die uit premies worden betaald en recht geven op een uitkering.

    Naar de les over Sociale zekerheid

  31. zelfstandige zonder personeel

    Iemand die voor eigen rekening werkt en zelf zijn verzekeringen en pensioen regelt.

    Naar de les over Zelfstandig ondernemer of werknemer

  32. arbeidsproductiviteit

    De productie per werknemer of per gewerkt uur.

    Naar de les over Werkloosheid en arbeidsproductiviteit

  33. bv

    Een besloten vennootschap, een rechtspersoon waarbij het privévermogen van de eigenaar buiten schot blijft.

    Naar de les over Rechtsvormen van een bedrijf

  34. ruilmiddel

    De functie van geld waarmee je kunt betalen.

    Naar de les over De functies van geld

  35. brutoloon

    Het loon voor aftrek van loonheffing en premies.

    Naar de les over De loonstrook en je nettoloon

  36. bbp per hoofd

    Het bbp gedeeld door het aantal inwoners.

    Naar de les over Arm en rijk in de wereld

  37. export

    Goederen en diensten die naar het buitenland worden verkocht.

    Naar de les over Nederland als open economie

  38. btw

    Belasting over de toegevoegde waarde, die in de prijs van een product zit.

    Naar de les over Belastingen en premies

  39. indirecte belasting

    Belasting die in de prijs van een product zit, zoals btw en accijns.

    Naar de les over Belastingen en premies

  40. loonheffing

    Belasting en premies die de werkgever inhoudt op je loon en afdraagt.

    Naar de les over De loonstrook en je nettoloon

Kies wat je wilt stampen
Waarover

Vink niets aan voor alle 52 begrippen.

10 onderwerpen
5 onderwerpen
3 onderwerpen
5 onderwerpen
Begin opnieuw