Begrippen stampen
Je leest een uitleg en kiest welk begrip erbij hoort. Een begrip is klaar als je het drie keer goed hebt. Wat je fout hebt komt terug tot het blijft zitten.
9 begrippen in deze stapel
Lees het begrip, bedenk wat het betekent en klap het open om te zien of je het had.
-
heterozygoot
Met twee verschillende allelen. Bij een recessieve aandoening heet zo iemand drager: zelf niets te merken, wel door te geven.
-
fenotype
Wat je aan een organisme kunt waarnemen. Het fenotype hangt af van het genotype én van de omgeving.
-
allel
Een van de varianten van een gen. Je hebt er twee van, één van elke ouder, en samen bepalen ze het kenmerk.
-
dominant
Een allel dat het kenmerk laat zien ook als er maar één van is. Het overstemt het andere allel.
-
homozygoot
Met twee dezelfde allelen voor een kenmerk. Iemand met een recessieve aandoening is altijd homozygoot.
-
genotype
De allelen die iemand heeft, dus wat er in het DNA staat. Dat is iets anders dan wat je ziet.
-
gen
Een stuk DNA met de code voor één eiwit of kenmerk. Een organisme heeft duizenden genen, maar in een cel staat lang niet alles aan.
-
kruisingsschema
Een schema waarin je de geslachtscellen van beide ouders tegen elkaar uitzet, zodat je ziet welke genotypen de kinderen kunnen krijgen en in welke verhouding.
-
recessief
Een allel dat het kenmerk alleen laat zien als er geen dominant allel naast staat, dus bij twee dezelfde.