Wat je met wiskunde B kunt
Ongeveer 10 minuten. Redeneren, bewijzen en exact werken.
Wat de werkwoorden betekenen
Bij bereken mag je je rekenmachine gebruiken en geef je een getal met de gevraagde nauwkeurigheid.
Bij exact of algebraisch werk je met de hand. Wortels, breuken en logaritmen laat je staan in plaats van ze af te ronden.
Bij bewijs of toon aan moet elke stap volgen uit de vorige. Een voorbeeld is geen bewijs.
Bij onderzoek kies je zelf je aanpak, zolang je opschrijft wat je doet en waarom dat het antwoord geeft.
Vier werkwoorden
Lees het werkwoord voordat je begint.
Zo bouw je een bewijs op
Schrijf op wat gegeven is
En wat je moet aantonen.
Begin bij de ene kant
Werk daarvandaan toe naar de andere.
Verantwoord elke stap
Met een regel, een definitie of een eerder resultaat.
Sluit af met de conclusie
Schrijf letterlijk op wat je hebt aangetoond.
De fout die bijna iedereen maakt
Je laat zien dat het klopt voor x is 2 en x is 5. Is dat een bewijs?
Een bewijs moet voor alle toegestane waarden gelden. Twee voorbeelden laten alleen zien dat het in die gevallen klopt. Werk daarom met letters en laat de stappen algemeen gelden.
Begin bij de ingewikkeldste kant
Bij een bewijs van een gelijkheid werk je meestal de moeilijkste kant uit tot er de andere kant staat. Van twee kanten tegelijk naar het midden werken is lastiger te volgen en kost punten.
Wat je met wiskunde B kunt
Check jezelf
Wat betekent exact?
Is een voorbeeld een bewijs?
Wat hoort bij elke stap in een bewijs?
Waar begin je bij een gelijkheid?
In jouw boek
Vakinhoudelijk gecontroleerd door Jasper Mulders op 29-10-2026.